Natuurschoon

Met een waterig zonnetje kabbelde het licht de vroege ochtend in. De peppels ruisten en besneeuwden de landweg met donzige pluisjes. Op hun akkertje maakte een kudde rode geuzen hun ochtendwandeling door het drassige land. Al wat vliegen kon was in de lucht of bereidde zich daarop voor. Een zenuwachtig trillende waterjuffer klemde zich vast aan de sigaar van een lisdodde. Het ontging Mathieu niet dat zijn aanwezigheid door de natuur was opgemerkt. Uit de meidoorn heg fladderde een koppel fazanten luid kokkerend op. Drie kraaien alarmeerden de buurtgenoten, hazen en konijnen vluchtten het maïsveld in. Om van het ongerepte parfum van de jonge dag te genieten, stond Mathieu wel vaker erg vroeg op.

Mathieu is een natuurliefhebber zonder specifieke voorkeur. Hij houdt van elk landschap, van zee en lucht en elk dier. Hoewel hij graag alleen is, mag je hem niet mensenschuw noemen. ‘Een beetje eigenaardig,’ vinden veel mensen uit zijn omgeving en als je Mathieu zo door het veld ziet banjeren, dan kan je je dat wel voorstellen. Hij loopt als een reiger, met opgetrokken poten en veel te lange passen, de nek voorbij de schouders en het hoofd voorop. Meent hij iets te horen of te zien dan staat hij stil en knijpt zijn slechte ogen tot smalle spleetjes. Maakt dat het beeld niet scherp genoeg, dan is er altijd nog de oude kijker, paraat bungelend op zijn buik. Aandachtig observeert hij de contreien en wat hem vreemd of zeldzaam voorkomt schrijft hij op. Maakt niet uit wat of wie het is, alles waar hij niet bedacht op is wordt in de vermoedelijke hoedanigheid in zijn boekje opgeschreven, met dag- en tijdnotering, zodat de waarneming compleet is.

Zo liep Mathieu die ochtend met zijn halfhoge wandelschoenen door het vochtige gras. Hij genoot van de stilte en haalde nog eens extra diep de frisse lucht in. Hij wilde graag gezond zijn. Door al het ontwaken en bewegen om hem heen voelde hij het leven. Aandachtig keek hij in het rond, want hoewel het hem allemaal bekend voorkwam, wilde hij zich toch graag laten verrassen. Toen hij omlaag keek zag hij nog net een gladde slang. Waarschijnlijk op weg naar een eerste zonnebad van die dag. Niet echt zeldzaam, dacht Mathieu, maar toch zie je ze maar zelden. Toen de slang onder de vegetatie was verdwenen pakte hij zijn boekje en schreef het op. Tevreden liep hij verder en verwonderde zich over de roze kleuren van de ochtend wolken. Wat een prachtige penseelvoering. Van de verre horizon ging zijn blik naar beneden, naar een open plek met lage begroeiing en een houten bankje, leek het wel. Mathieu wist het niet zeker, maar dacht in die verte, versnipperde felle kleuren te zien. Beducht om wat het ook was te verstoren, bleef hij staan en pakte zijn kijker. Hoewel de kleuren beter zichtbaar werden, bleven de contouren vaag en ondefinieerbaar. Het zou een ijsvogeltje kunnen zijn, dacht Mathieu, vanwege de felle kleuren. Aan de andere kant, redeneerde hij verder, zag hij meer kleine delen dan grote gehelen. Hij besloot in de richting te lopen, rustig en zonder gerucht om niets te laten schrikken of te laten verdwijnen. Vijftig meter van de plek vandaan, bleef hij even staan. Het was er nog, de kleuren scherper, hier en daar transparant, met ronde en vierkante vormen. Langzaam kreeg hij een vermoeden en bij elke pas werd dat vermoeden sterker. Nog tien meter, het vermoeden smolt weg en een harde werkelijkheid diende zich aan. Mathieu was ontdaan en kon het haast niet geloven. Hoe was het mogelijk? Het was een domper op de prachtige ochtend. Hij pakte zijn boekje en teleurgesteld noteerde hij:

 

Woensdag 23 juli 2015. Aangetroffen in de Waardse Broek bij de bank geschonken door de Natuurvrienden van Broekselanden:
– drie of vier verscheurde pizzadozen
– vijf plastic flesjes, waarvan één met opschrift: Smirnoff Vodka
– 14 sigarettenpeuken
– een aangevreten broodje
– een wikkel van een Mars
– een bijna lege zak met wokkels
– een stuk ondergoed
N.B. Om 06.30 verzameld en meegenomen.

De aap uit de mouw

Lieve pap en mam,

Ja, dit zal jullie wel verrassen, een brief van je dochter, zoveel schrijf ik jullie niet. Ik praat liever. Al die woorden op papier, ik vind het maar eng. Het staat zo vast en zwart op wit.  Maar door het toch op te schrijven kunnen jullie rustig je gedachten laten gaan over wat ik jullie zeggen wil. Ik heb het ook met Jacques besproken.

Over een half jaartje gaat pap met pensioen. Hij heeft het hartstikke verdiend en Jacques en ik hopen dat er nog een prachtige tijd te gaan is voor jullie. Als geen ander weten wij hoe jullie ernaar uit hebben gezien om eindelijk eens de tijd voor jezelf te hebben en te genieten van het leven, zonder van alles te moeten. Vijf jaar geleden begon pap er al over: “ik zal blij zijn als ik eindelijk eens kan doen wat ik wil” en dat liedje zong hij met steeds een andere tekst. Op de laatste vier verjaardagen bij ons thuis heeft hij het eigenlijk over niets anders gehad. Hij heeft er hard genoeg voor gewerkt en jij ook hoor, mam. Jacques en ik gunnen jullie het allemaal van harte. Weet je nog de laatste keer in Amsterdam? We hadden met z’n tweeën in hartje Amsterdam een heerlijke ‘high tea’ bij Gartine of zo wat. Nou, dat leek jou ook wel, zo’n soort van lunchrestaurantje met een paar tafeltjes. Niet voor het geld, maar alleen voor de fun.

‘”Als pa gepensioneerd is, lijkt het mij heel leuk om zoiets te gaan doen,” zei je met de gloed van de voorpret al op je wangen. Ik kon aan je gezicht zien dat alle heerlijke taarten, die je door de jaren heen voor ons hebt gebakken, weer langs kwamen, maar nu voor de zaak, voor de gasten. Alleen het idee al, mam. Weet je wel dat je gewoon dag en nacht in de weer bent met zo’n zaak? En dan kom je echt aan niets anders meer toe, hoor. Als je het leuk vindt moet je het natuurlijk doen, maar hoe denkt pap daar eigenlijk over? Gaan jullie dat samen doen? Ik zie pap al rondlopen met dikke hangop met woudhoning en zelf gemaakte bosbessenchutney. Laat hij zijn plannen om naar een warm land te vertrekken zomaar vallen? Hij moest toch naar de Sancerre, heerlijke wijn trouwens, en een andere keer naar de Costa del Sol, terwijl hij Zeeland zeker niet uitsloot.

Enfin,  het gaat om jullie leven en jullie moeten natuurlijk gaan doen wat je leuk lijkt. Nogmaals we gunnen het jullie van harte en natuurlijk zijn jullie absoluut vrij om te doen en te laten wat je wil, maar waar zijn wij in dat mooie plaatje?

Ik ben nu vier maanden zwanger dus hopelijk zijn jullie over een klein halfjaartje opa en oma. En waar zijn opa en oma dan? Ergens in een Amsterdams steegje de gasten aan het verwennen? Of zijn ze misschien net bezig met de ochtendgymnastiek op het strand van Torremolinos? Wij weten het niet en eerlijk gezegd hebben wij er op gerekend dat jullie bij ons zouden zijn. We hebben daar nooit iets over afgesproken en wij willen ook geen beslag op jullie leggen, maar ………ja, wij hadden toch wel op jullie support gerekend. Jacques staat voor een belangrijke doorbraak in zijn carrière en het is maar helemaal de vraag of daar een parttime baan bij hoort. Jullie eigen dochter heeft eindelijk de positie waar jullie ook hard voor gewerkt hebben en met minder dan vier dagen hoef ik echt niet aan te komen. Twee dagen op de crèche en dan blijven twee dagen over. Ik kan moeilijk aan de vader van Jacques vragen of hij op ons kind wil passen. Die man is een weduwnaar en 72!

Het klinkt allemaal vreselijk lullig mam. Het lijkt wel of we nu al met ons kind lopen te leuren en dat willen wij helemaal niet. Het is niet alleen de oppas ( weet je trouwens dat je daar als oppasopa en oma ook geld voor kan krijgen?) maar ik zou het vreselijk vinden als ik niet af en toe bij je binnen zou kunnen lopen. En Jacques kan altijd zo fijn met pap over het werk praten. Eigenlijk hebben wij er ook naar uitgekeken dat jullie wat meer vrije tijd zouden hebben. Dat jij niet meer de hele dag met het huishouden bezig bent en pap niet voortdurend met zijn werk. Wat een heerlijke tijd zou dat gaan worden!  Pap, die niet meer op de meest onmogelijke tijden wordt opgeroepen om ergens in het land bijstand te verlenen. Gezellig samen eten in plaats van in je eentje op hem te zitten wachten. De tijd voor jezelf! Die ga je toch niet helemaal vol plempen met andere activiteiten, mam. Jullie moeten het echt rustiger aan gaan doen. Je wordt ook een dagje ouder. Geniet van je kleinkinderen, wie weet hoe kort de tijd samen nog is. Ach verdorie, daar wil ik niet eens aan denken.

Nou mam, het is misschien niet leuk voor jullie, maar ik ben blij dat ik het eindelijk gezegd heb. Het zat ons al lang dwars en we zijn echt bezorgd over hoe dat nu verder moet.

Praat er eens met pap over, dan wordt het in ieder geval duidelijker waar wij wel en niet op kunnen rekenen. Voorlopig is het nog niet zo ver, dus we hebben nog even de tijd om het goed te regelen.

Heel veel liefs en kusjes van Gerdien, ook van Jacques, ook aan pap.

 

Het post-vakantieverhaal

Die eerste dagen na de vakantie: daar zie ik altijd erg tegenop. Niet tegen het binnenshuis moeten leven, want meestal heb ik het na vier weken vakantie wel gehad met dat zonnige buitenverblijf. De zon is een opdringerig typje geworden en daar hou ik niet van. Ik ben allang blij als mijn schone overhemd de dag weer zonder zweetplekken doorkomt. Ik verlang alweer een beetje naar een sweater of sportieve hoody om mij heen. Nee, het zijn niet de temperatuurverschillen die mij ongerust maken.

Wat ik vrees is de stroom vakantieverhalen. Of het nu op straat is of op het werk, bij de supermarkt of de sportschool, iedereen wil zijn wonderlijke en unieke vakantieavonturen vertellen. Alsof het een therapeutische verwerking is van een zware periode in het leven.
Ik kan het nu al uittekenen:
Ik kom de werkruimte binnen, vol positieve energie groet iedereen en direct begint het spel van vraag en antwoord: ‘Goede vakantie gehad?’, ‘Genoten?’, ‘Waar zijn jullie geweest?’, ‘Was het bij jullie ook zo warm?’
Op straat: ‘Hé, buurman ook weer terug?’ Op de sportschool: ‘En nu het er allemaal weer af zien te krijgen hè?’ In de supermarkt: ‘Wat zie je er goed uit, waar heb je dat vandaan?’
Met een eenvoudig ‘Ja, prima’, ‘heerlijk’ of ‘het was lekker rustig’ kom ik niet weg. Soms laat ik het bij een kort informatief antwoord, maar omdat ik graag belangstellend wil overkomen speel ik de bal terug met: ‘en jij?’ Dat is natuurlijk de vertelgoden verzoeken. De popelende vertellers hebben geen uitnodiging nodig: ‘Leuke vakantie gehad? Ach, wij hebben wel zoveel pech gehad, dat was niet normaal. Eerst met de auto in Duitsland en toen we in Kroatië aankwamen bleek ons hotel vol te zitten. Dus wij naar de groeten van Max bellen en toen kregen we meteen Sybrand aan de lijn, je weet wel die man die ook huizen voor je zoekt in Spanje, maakt niet uit, hij vroeg wat er aan de hand was en dat hebben wij dus verteld namelijk…. etc.’

Zonder pardon worden alle details, met alle belangrijke zijwegen, in geuren en kleuren beschreven. Misschien ontbreekt het velen aan verteltalent, misschien kunnen velen slechts de exacte gebeurtenissen vertellen. Na drie minuten hebben zij mij echt verloren. Het doet mij denken aan de door mijn vader zorgvuldig ingeraamde en becommentarieerde diaseries van de familievakanties. Ik denk dat toen mijn angst voor het vakantierelaas is ontstaan.

Als we nu eens afspreken dat we al die vakantieverhalen gewoon verzinnen. We geloven die ‘echt heerlijke vakantie in Frankrijk’ wel. Leve de spetterende orgie op de vakantie in Oude Pekela, de roofoverval met nagenoeg dodelijke afloop die we meemaakten in de Dordogne, of de gruwelijke overnachtingen in een bergspelonk ter hoogte van Marbella waar we overigens eerst een ongelikte beer uit moesten verjagen. Ik zou er goed mee kunnen leven om uitsluitend verzonnen vakantieverslagen aan te horen en te vertellen. Het zou mijn post-vakantievrees sterk verminderen.

Twee vrienden

Ik beschouw ze beiden als mijn vrienden. Grote, magistrale vrienden, die niet ophouden er te zijn. Veel mensen kun je typeren als ‘nogal aanwezig’, een beetje druk in doen en praten, met op de achtergrond een wens dat het wat minder zou kunnen zijn, maar bij hen is dat ongepast. Zij hebben absoluut de oudste rechten: Zij zijn zoals zij zijn en het gaat niet aan hen te veranderen.

Hij is een reus met diepe rimpels. Ver boven mij uitreikend, staat hij onverzettelijk tussen zijn broeders, die al niet minder ontzagwekkend zijn. Als de zon schijnt ligt hij breeduit zich te koesteren en komt er regen neer, dan wordt hij onbedaarlijk vruchtbaar. Van alles groeit er op zijn flanken: bloemen, amandelen, olijven, sinaasappelen en de belofte van een rijpende dronkenschap. Hoe langer ik hem ken, hoe meer ik van hem weet; hoe meer hij mij geruststelt met wat mij eerder zo benauwde: zijn imposante massa en de steilheid van zijn wegen. Hij vindt het allemaal wel best, ook al gromt en dondert hij als de spanning hem te veel wordt. Soms staat hij fluitend in de wind als ik bescherming zoek, dan weer dwalen hem de tranen naar beneden, in rivieren verzamelend om naar zijn grillige vriendin te stromen.

Ik ken haar, die vriendin van hem. Het is ook mijn vriendin, hoewel met wisseling van plezier en ongenoegen. Zij kan er wat van. Meestal is zij zeer genoeglijk en ontspannen. Zij ligt dan in de zon te kabbelen en verdoet haar tijd met eb en vloed. Boten laat zij varen en al wat drijft en zwemt dat heeft haar zegen. Totdat zij er genoeg van lijkt te hebben. Dan wordt de rust haar plotseling te veel, dan gaat haar boezem woest op en neer en baart zij hoge rollers. De tomeloze golven smijt zij driftig op het strand. Steeds een stukje verder, steeds dichter bij de paviljoenen en de chiringuitos. Afwisselend spuugt en zuigt zij alle kiezels op, het gruist en bruist, de oren worden ons gewassen. Als een brutale haaibaai pakt zij de sardientjes van de grill, die haar vanochtend nog ontstolen zijn. Tenslotte dooft zij alle vuren, sleurt stoelen en tafels van terrassen, dweilt de boulevard met modder aan en dwingt de mensen tot een grote schoonmaak. En dat alles onder een wolkeloze, zonnige hemel. Na uren de branding opgestookt te hebben gaat zij weer poeslief liggen alsof er niets aan de hand is. Niet dat wij het erg vinden. Haar woedende capriolen zijn werkelijk de moeite waard, zo het al een moeite was met knabbel en een witte wijn. Ik weet dat zij verder uit had kunnen halen. Meer ellende, grotere schade en zeker natte sokken, maar zij liet dat na. Het was niet kwaad bedoeld en daarom kunnen we vrienden blijven.

Drie keer toeteren

Het was een van de zeldzame keren dat ik samen met collega Farley in Amsterdam-Noord reed. Farley was al 23 jaar ambulancechauffeur en Noord kende hij beter dan zijn broekzak.

Anneloes en Siebren Wiersma stonden al op de stoep van de Adelaarsweg te wachten. Dat was maar goed ook, want Siebren Wiersma kon geweldig uit zijn slof schieten als zijn vrouw hem niet op tijd klaar had. Dan vloekte en tierde hij tegen haar en als ze niet oppaste kon zij een soejang krijgen. Maar dit keer leek zij er zonder kleerscheuren van af te zijn gekomen. Anneloes leidde haar man onder de oksel en Siebren hield krampachtig een wandelstok in zijn rechterhand geklemd. Beiden probeerden de val die in elke stap van Siebren verscholen zat, te ontlopen.

‘Een goedemorgen,’ zei ik monter, toen ik uit de auto stapte en op het echtpaar toeliep. ‘Fijn dat jullie er zijn,’ zei Anneloes opgelucht en bood mij haar man aan. Ik nam zijn vochtige oksel over en zij probeerde haar arm wat te ontspannen. ‘Zullen we naar de auto lopen, meneer Wiersma?’ vroeg ik. Zonder een antwoord, maar met stugge vasthoudendheid schopte Siebren zijn onwillige benen een voor een naar voren. Naar links, naar rechts, het leek wel schaatsen op een baan van twee stoeptegels breed.

Ondertussen was Farley ook uit het busje gekomen. Hij gaf Anneloes een zoen op haar wang, liep naar Siebren en mij toe en gaf hem een bemoedigend klopje op zijn schouder. Siebren schudde onwillig zijn hoofd. Onder zijn oksel voelde ik dat hij meer verlangde van zijn lijf, maar slechts een nurks gebrom werd hem gegund. Misschien beviel de kus van Farley hem niet, of was dat meer wat ik dacht? Terwijl ik Siebren de auto in hielp, wat nog een riskant karwei was vanwege de ongecontroleerde bewegingen die zijn lichaam maakte, stond Farley nog met Anneloes te praten. Het was haar aan te zien dat zij zware tijden doormaakte. Farley wist haar nog een lachje te ontfutselen, maar die verdween al rap als een avondzonnetje in een zee van zorgen.

Toen ik mij voor Siebren langs boog om de autogordel te pakken, greep hij mij vast en trok mij naar zich toe. Ik kon mij nog net van zijn schoot houden toen hij siste: ‘Farley is een schoft, mijn vrouw is niet te vertrouwen en hoe zit het met jou?’ Ik trok de gordel uit de rol en gespte Siebren vast. ‘Nou meneer Wiersma,’ zei ik ‘dat is ook niet aardig.’ Siebren keerde zich onmiddellijk van mij af. Quasi geïnteresseerd keek hij langs mij heen naar Anneloes en Farley. Oppassend voor mijn hoofd, stapte ik achteruit de auto uit. In het voorbij gaan hield ik nog even de knie van Siebren vast en schoof toen de deur dicht. Op straat rechtte ik de rug.

‘En gedroeg hij zich een beetje?’ vroeg Anneloes. ‘Ach, het ging allemaal best, maar hij is wel erg verkrampt en humeurig,’ antwoordde ik. ‘Wil je geloven dat Siebren tot een jaar geleden nog een hele vriendelijke en zachtaardige man was?’ vroeg Anneloes. ‘Dat hoort bij de ziekte,’ verklaarde Farley ‘en dat wordt alleen maar erger.’ Anneloes zuchtte en knikte met haar hoofd dat zij dat ook wel wist. ‘We moeten gaan, Farley,’ zei ik. ‘Dag mevrouw Wiersma.’Farley legde zijn hand op de arm van Anneloes, zei iets tegen haar dat ik niet verstond en ging achter het stuur zitten. ‘Zit je goed, Siebren?’ vroeg Farley in zijn spiegel kijkend. Siebren gaf geen antwoord. Hij keek strak naar buiten. De auto startte, Farley zwaaide naar Anneloes en weg reden we.

Het was stil in de auto, naar ieders gedachten kon je raden, maar het waren er velen. Ter hoogte van het Kraaienplein sloeg Farley de Eksterstraat in, na honderd meter minderde hij snelheid, toeterde drie keer nadrukkelijk en reed via de Havikstraat naar de Meeuwenlaan. Bij het revalidatiecentrum stapten wij uit en hielpen Siebren naar binnen. Terug in de auto vroeg ik Farley wat dat voor vreemd gedoe was in de Eksterstraat. ‘Drie keer toeteren, waar slaat dat op?’

‘Luister’ zei hij met het gezicht van iemand die alles begrijpt, ‘Anneloes is een gezonde en aardige vrouw. Aan Siebren heeft zij niet veel meer, veel geven en heel veel incasseren, want naast de zenuwen en spieren is ook zijn karakter naar de kloten aan het gaan. Als Anneloes dat vraagt dan rij ik even door de Eksterstraat en toeter 3 keer bij nummer 25. Theo, die man woont daar, weet dan dat Siebren de rest van de middag op de revalidatie zit en hij kan dan naar Anneloes. Als wij de melding krijgen dat we Siebren weer op kunnen halen, bel ik Anneloes even op en kan Theo weer terug naar de Eksterstraat, snap je?’

Chaos

Ik ben 68 jaar en kerngezond. Dat laatste is niet waar. Ik ben juist in de kern niet gezond. Aan mijn kern mankeert van alles en verschillende keren hebben daar al reparaties plaatsgevonden. Dat is helemaal niet erg, want als de buitenkant nog goed intact is kun je nog zeker twintig jaar mee. Dat zie je maar aan mijn vader, zijn kern was al rot toen hij 18 was en hij werd uiteindelijk zesenzeventig. Er valt voor mij dus nog heel wat lol te beleven. Tenminste als ik niet bij de pakken neer ga zitten of zo angstig word dat ik de deur niet meer uit wil. Zo’n periode heb ik weleens meegemaakt. Ik woonde met mijn vrouw Emma in Amsterdam en elke straat of dwarsstraat, steeg of pad joeg mij angst aan. Heel die angst7ruimte, al die leegte, was te groot. Op pleinen, wegen, lanen en boulevards begaf ik mij sowieso al niet. Toen ook de mensen mij angstig maakten en ik mijn vrienden van de straat ontliep, ben ik maar thuisgebleven. Vervolgens verloor ik in luttele dagen ook mijn thuis. Ons huis deugde van geen kanten meer. De gemoedelijke sfeer in de woonkamer werd grondig verpest door de loerende tv, die maar niet uitgeschakeld raakte. Ik deed de knop wel tien keer aan en dan weer uit zonder enig effect. De stekker trok ik uit het stopcontact en toen dat nog niet hielp, heb ik het kreng uit het raam moeten gooien. Emma vond dat niet leuk, maar zij kon het wel begrijpen, had zij gezegd. In de keuken was het volkomen chaos. Wel vijf keer op een dag moest ik alle potten, pannen, borden, kopjes en schoteltjes op hun plaats zetten. Steeds waren zij verschoven. En door wie? Het zal onze hond wel geweest zijn, zullen we maar zeggen. Ik heb weleens gehoord van mensen die aan een dwangneurose lijden, dat zij alles in één rechte lijn willen hebben, als soldaten in perfect gelid, maar dat lijkt mij niets voor mij. Ik doe liever niets, dan dat ik wat móét doen. Al met al maakte de hele situatie mij onrustig en angstig, dus bleef ik in mijn studeerkamer, waar Emma mij bediende en geruststellend toesprak. Hoewel dat heel lief is, irriteerde mij dat ook. Niet mateloos, maar toch. Om te voorkomen dat ik bang zou worden van mijn vrouw, dat zou zij niet verdienen, ben ik naar de zolder verhuisd. Tussen planken en gevonden schroeven en moeren, in gezelschap van dertien hamers, drie knijptangen, drie zagen, waarvan één elektrisch, liefst achttien schroevendraaiers, waarvan zeker vijf met kruiskop, twee waterpomptangen en vier combinatietangen, slechts één bahco, een opklapbaar kampeerbed en een grote houten werkbank, alsook een boekenkast vol met boeken, voelde ik mij rustig worden. Mijn lieve vrouw bracht mij driemaal daags een lichte maaltijd en een kopje koffie in de avond, anders kon ik niet in slaap komen. Gelukkig was er water op de zolder, evenals een dakgoot waarin ik mijn urine kwijt kon. Aan andere behoeften, veel had ik er niet, kwam ik toe in de uren dat mijn vrouw naar haar werk was. Als een dief sloop ik ons huis dan in, deed wat ik moest doen en kroop als een geslagen hond mijn zolderhok weer in. Zeven weken heb ik zo geleefd, gelezen en gedroomd. Toen kwam de dokter naar de zolder toe. Hij wilde eerst graag met mijn vrouw alleen spreken. Een beetje achterdochtig was ik wel, maar bij zo’n omstandigheid moet je niet te lang stil blijven staan. Samen hebben zij verteld wat beter voor mij was en hoe ik zo ver kon komen. Dezelfde dag nog had ik pillen in mijn hok die ik elke dag moest slikken. Na vijf dagen heb ik de zolder en mijn angsten achter mij gelaten en woonde weer, naar ons beider genoegen, samen met mijn vrouw. Ik kon gewoon de straat weer op en in plaats van ze te mijden sprak ik mensen weer aan. Dat was niet voor niets, want ik had nog zeker honderd slaap- en kalmeringsmiddelen over, waarvan ik het doodzonde vond ze door de wc te spoelen. De huisarts die ‘er de voorkeur aan gaf even met mijn vrouw onder vier ogen te praten’ had mij pillen voor wel tien jaar slapen voorgeschreven. Ik moet daar niet te lang bij stil blijven staan. Voordelig was het wel. Het is verrassend hoeveel mensen op straat rondlopen, die voor een zacht prijsje zo’n kalmeringsmiddel wel willen hebben. Ik heb de pillen verkocht en zie het als mijn bijdrage, gesponsord door het ziekenfonds, aan een rustiger leefklimaat in de grote stad. Helemaal de oude voelde ik mij nog niet dus vond ik de verkoop van het laatste doosje pillen nog het moeilijkste. Je weet niet wat er nog te gebeuren staat. Je zal het altijd zien: dan heb je je laatste pillen verkocht en prompt word je weer angstig, je weet het immers nooit. Zo gaat het bij zoveel dingen die je weggooit. Ik heb die ervaring vooral bij gereedschap of bij rubber ringetjes, dus die gooi ik niet meer weg. Als ik helemaal eerlijk zou zijn, dan zou ik nu moeten zeggen dat ik die ervaring ook met meisjes heb. muppetJuist als ik haar heb weggedaan, mis ik haar enorm en heb ik haar heel erg nodig. Maar zo praat je niet over meisjes. Althans niet over mijn meisjes, die waren stuk voor stuk gemaakt om heel lang lief te hebben. Alleen zo’n idioot als ik, een vent die steeds maar denkt niet goed genoeg te zijn, eigenlijk voor niemand niet, maar vooral niet voor het meisje van zijn dromen, zo’n zot loopt van zijn meisje weg. Nou goed, ik deed dat altijd in een slechte periode, maar mag dat een excuus zijn? Mag je de liefde die je tegemoet komt waaien, ontwijken omdat je in een depressie bent geraakt? Hoe wist Emma doordat cordon sanitaire heen te breken? Ook nu ik weer gezond bent weet ik geen antwoord op die vragen. Ik wil maar zeggen: ik moet erg op mijn tellen passen, want de angst ligt altijd op de loer. Zoiets wil ik niet nog eens meemaken, liever ga ik nog zeker twintig jaren mee.

mijn steun en toeverlaat

‘Zeg gasten, waar zitten jullie momenteel?’
‘Bij het Mirandabad, centrale.’
‘Dan mogen jullie mevrouw Wilking van de Vrijheidslaan 98 twee, voor revalidatie naar Vreugdenhof brengen.’

Mensen houden niet van stilstaande ambulancewagens voor hun deur. Dat maakt ze nerveus en argwanend. Alles met een zwaailicht en sirene hoort met spoed onderweg te zijn. Daarom eten wij vaak aan de Amstel. De boterhammen zijn op en Hugo en ik zijn gevonden door de alwetende centrale.

‘Gaan we doen, Joris,’ zeg ik door mijn GSM.

Terwijl ik mijn thermoskan dichtschroef, drukt Hugo zijn sigaret uit. Hij zwaait wat in het rond om de sigarettenrook weg te jagen. In diensttijd mag je niet roken, maar Hugo zegt dat hij het nodig heeft. Ik vind het goor. Hij kan niet goed tegen de ellende die wij vervoeren. Niet te geloven dat hij vroeger taxichauffeur is geweest, zo zorgzaam en aardig is hij voor de patiënten. En dan zal Ik hem zijn sigaretje afnemen?
Ik rook niet, maar een pot met drop helpt ook. Hoewel ik ’s nachts weleens een heftig ritje over doe, houden grappen mij overdag op veilige afstand van te veel inlevingsvermogen.

Precies acht minuten na de oproep staan we bij mevrouw Wilking voor de deur. Veel te vroeg natuurlijk.
‘Snel een sigaretje?’ vraagt Hugo.
‘Doe maar niet, man. We zien wel hoe ver mevrouw is.’
Wij stappen uit, lopen naar 98 en ik bel op tweehoog aan. Er wordt niet meteen opengedaan. Ik kijk langs de gevel naar boven.
‘Wist jij dat het hier vroeger Stalinlaan heette?’ vraagt Hugo.
‘Ja’ antwoord ik, ‘maar het fijne weet ik er niet van. Bel nog eens aan’
Hugo pakt de koperen deurknop, duwt ertegen, probeert eraan te draaien en belt opnieuw aan.
‘Heeft met de inval in Hongarije te maken,’ zegt Hugo en draait zich om, want de deur wordt van het slot getrokken.
‘Ga jij maar eerst’ zegt Hugo en ik stap naar binnen.

‘Ziekenvervoer,’ roep ik naar boven, staande op de eerste traptree. Hugo sluit de deur achter ons.
‘Bent u het broeder?’ vraagt een licht wanhopige stem van tweehoog naar beneden.
Hugo en ik kijken elkaar aan en zonder lachen roep ik terug: ‘Nee mevrouw, hondenbelasting.’
Na een kort moment van mogelijke bezinning roept mevrouw: ‘Komt u maar boven, broeder.’ Mevrouw Wilking laat de grap beleefd aan zich voorbijgaan.
In het trappenhuis is het donker en het ruikt naar kattenpis. De trap is steil en smal. Het lampje op de eerste overloop brandt niet. De lichtknop is moeilijk te vinden en als ik er eenmaal op gedrukt heb, blijkt het ding kapot te zijn.
Verder gaat onze opgang naar mevrouw Wilking. De stank wordt scherper en slaat op de keel. De deur van de woning van mevrouw Wilking staat gastvrij open. Zijzelf is nergens te bekennen. Een veel te mooie hanglamp van Muranoglas brengt kleurig licht in het halletje.
‘Doe de handschoenen maar aan,’ zegt ik tegen Hugo. Als kwieke zorgcowboys trekken wij onze blauwe latex handschoenen uit de achterzak en steken er onze handen in.

Vanuit de woonkamer hoor ik mevrouw weer vragen of wij ‘de broeder’ zijn.
‘Helemaal uit Amsterdam gekomen, mevrouw Wilking.’
‘Oh, ik ben zo blij dat u er bent. Ik wacht de hele morgen al. Ik heb gebeden dat u gauw zal komen. Ik heb u zo nodig. Waar bent u al die tijd geweest? Waar is mijn steun en toeverlaat?’
Voorzichtig gaan wij de woonkamer binnen. De gordijnen zijn dicht en een antieke schemerlamp verlicht naar beste kunnen de bedompte huiskamer. In de hoek van de kamer staat een televisie: beeld aan, geluid uit. Het deftig meubilair staat er verwaarloosd bij, alsof het achteloos is achtergelaten. Op de vloer liggen Perzen, waarvan de motieven zijn verdwenen onder vuiligheid. In het midden van de kamer, bij de tafel, staat vergroeid met haar looprek mevrouw Wilking.
‘Goed dat u met twee bent. Ik moet namelijk gedragen worden. Ik heb niet voor niets gewacht. Maar voor nu zoek ik mijn steun en toeverlaat,’ zegt zij zenuwachtig.
Aan de muren hangen foto’s, schilderijen en antieke spiegels. Aan de gore stank valt niet te ontsnappen. Hugo jaagt een kat van tafel en overziet het schimmelig palet van rottende etensresten.
‘Niet te filmen,’ is zijn beknopte commentaar.
Hugo loopt naar een statief lamp, doet de stekker in het stopcontact en bekijkt op zijn gemak, als was hij op een fototentoonstelling, dus met de handen op de rug, de prenten aan de muur. ‘Heeft u de foto’s gezien, broeder. Heeft u mijn zoon bij de Heilige Vader gezien? Waar is nou toch mijn steun en toeverlaat?’

Dan duwt mevrouw Wilking haar kont naar achteren, gaat in spreidstand in haar looprek staan en slaakt een hopeloze zucht. Langs haar benen, nog vertraagd door de stof van haar kousen, sijpelt de urine op de toch al geteisterde vloerkleden.
‘Heb je dat gezien Giel, er hangt hier inderdaad een foto van de Paus. Er ligt een volwassen vent voor hem op de knieën. ‘Is dit uw zoon op deze foto, mevrouw Wilking?’
‘Zeg Hugo, kun je even assisteren?’ zeg ik met een flinterdun verwijt in mijn stem. Hugo maakt zich los van de fototentoonstelling en ziet mevrouw Wilking in de verstilde ontreddering van haar geknoeide plas staan.
‘Hè, mevrouw Wilking,’ zegt Hugo teleurgesteld, alsof we net de boel schoon hadden.
‘Ik moet mijn steun en toeverlaat hebben?’ Met haar looprek maakt zij een pirouette en schuifelt weg. Na drie stappen staat zij stil:’ Alleluja, daar ligt zij, mijn steun en toeverlaat,  mijn vod, mijn lot.’
Hugo en ik kijken naar de plek waar mevrouw Wilking haar vod heeft teruggevonden. Als een frommeltje in elkaar gevouwen ligt daar het smerige ding.
‘Dat is een vieze dweil, mevrouw Wilking,’ moet ik zo nodig zeggen.
Maar mevrouw Wilking straalt en lacht. Zij is blij en lijkt weer wat completer. Maar er is ook spijt:
‘Ik heb haar laten liggen en veronachtzaamd. Ik mag dat nooit meer doen. Ach broeder, zou u haar even aan de stang van mijn looprek willen hangen?’
Zij kijkt daarbij gelukkig naar Hugo. En Hugo zou Hugo niet zijn als hij dat zou weigeren.
Tussen duim en wijsvinger, beschermd door de latex, pakt hij de dweil op, pakt met de ander hand de andere punt en hangt de dweil in een nat vierkant aan de linkerkant van het looprek. Blij dat hij van het stinkende vod af is, blaast hij met bolle wangen uit.
‘Nee broeder niet daar. Graag aan de andere kant.’
‘Ja, dat is natuurlijk niet de goede kant Hugo. Een steun en toeverlaat hangt altijd rechts. Dat je dat niet weet,’ zeg ik.
‘Maar natuurlijk mevrouw Wilking. U zegt het maar,’ en Hugo pakt de dweil van het rekje, en hangt het aan de rechterkant van het looprek.
Weer verenigd met haar dweil loopt mevrouw Wilking terug naar waar zij heeft geplast. Daar schudt zij de dweil op de grond en met de rechter poot van het looprek drukt zij het vod in de natte plek. Een beetje vinnig wrijft zij vervolgens flink heen en weer. Het looprekje kraakt ervan.

Hugo en ik aanschouwen de zelfredzaamheid van mevrouw als betreft het een onnavolgbare actie van Johan Cruijff. Op de een of andere manier raken we een beetje gewend aan de vreselijke stank, de walging is er wel af, ergens groeit bewondering.looprek
Inmiddels is mevrouw Wilking bij haar sta-op-stoel gekomen en vraagt: ‘Mag ik nog even zitten broeder?’
‘Hoe laat verwachten zij u op Vreugdenhof, mevrouw?’
Met een diepe zucht gaat mevrouw Wilking zitten.
‘Oh dat spijt mij, ik ben helemaal vergeten u een kopje koffie aan te bieden, heren.’
‘Rust u maar even uit, mevrouw. We hebben net koffie gehad,’ zeg ik.
‘Zou ik hier een sigaretje mogen opsteken, mevrouw?’ vraagt Hugo.

 

 

Arrivederci Italia

dsc_2847Onafwendbaar als het wolkenfront dat over de bergen komt, moeten wij richting huis. Voor even, voor een paar weken en dan gaan we weer. De opgestoomde lucht krijgt de kans niet eens om uit te regenen. Het wordt kouder, maar de zon blijft schijnen. Nog dagen zijn we buiten. De auto is schoon en opgeruimd. De olie is gecontroleerd. De banden kunnen vier seizoenen aan. De route van de terugweg is gepland; de eerste stop is in Saronno.

Weemoedig verzamelen wij de spullen, die wij 3 maanden geleden verspreidden om het huis van ons te maken. Handdoek voor handdoek, kledingstuk voor kledingstuk, boek voor boek geven wij het huis terug aan de verhuurders. Niet de kurkentrekker vergeten en de badkamerkleedjes zijn ook van ons. Welgeteld één wijnglas en één glazen lampenkapje hebben ons verblijf niet overleefd. Wij dubben er nog over om eerlijk te zijn, tenslotte laten we ook veel achter: een halve pot pindakaas, een nog bijna volle pot heerlijke jam, zout, peper, afwasblokjes, hout voor de haard, schoonmaakmiddelen en wat al dies meer. Een compleet kerstpakket waar iedereen wat aan zou kunnen hebben. Waarschijnlijk blijft het huis met de feestdagen achter zonder bewoners. Het door ons aangeschafte kunstkerstboompje op de schoorsteenmantel gaat een sfeerloze kerst tegemoet. Terwijl hij daar zo leuk staat, als iemand hem zou zien.

De zomerkoffer, de winterkoffer, de wisselkoffer, de medicijntas en het toiletspullenkoffertje worden ingepakt. De boeken en de stofjes liggen er allang in. Keurige stapeltjes, rotzooierige eenlingen en gepoetste paren staan klaar voor vertrek.

Alle ruimte in de auto moet tot in de kleinste hoeken plaatsmaken voor onze bagage.

‘Nemen we nou meer mee dan toen wij kwamen?’ vragen wij elkaar. Met een globale opsomming van heen- en terugbagage proberen we elkaar wijs te maken dat we minder hebben in te pakken. Met de auto tot de nok gevuld, rest maar één conclusie: de auto is in een paar maanden tijd een stuk kleiner geworden.

Van veel gewoonten, van plezierige activiteiten en van vertrouwde rituelen realiseren wij ons dat het de laatste keer is. Op de laatste zaterdag geven wij de Nigeriaanse jongen die bij de supermarkt ons karretje terug in het rek zet (daar staat hij voor), iets extra’s. Beschaamd dat wel, maar dat maakt voor hem niet uit. ‘Thank you very much , sir’

dsc_3017Vaarwel, prachtig landschap, spijtig dat je weer een plaatje wordt. Tot ziens, verwarmende zon, jammer dat je in de mist verdwijnt. De groeten met ons buitenleven, we moeten weer bij nul beginnen. Alles wat wij hebben gezien, zet zich vast in een herinnering. Veel om te missen. Gelukkig hebben wij de foto’s nog om te weten hoe het was. Sommigen zullen vervagen en uiteindelijk verdwijnen als de wolken over de bergen.

Morgen zullen wij vertrekken uit La Marche, naar alsmaar noordelijker.

Hotel Fortuna

“En aan het strand verdomd veel zand.” Als een getijde golf was het liedje van Jaap Fisher bij Erik in het hoofd gerold en was er niet meer uit te drijven. Hij kende de tekst woord voor woord, al vierenveertig jaar, en gewilloos zong hij in gedachten mee. Alleen bij het “Zeeland, recreatieland” veroorzaakte zijn geografische werkelijkheid een aarzeling. Hoe kwam hij in Godsnaam op het Veerse gat? Het moest van de uren zwalken over het strand tussen Fano en Ancona komen. De eindeloze zandvlakte die hij aan het afgrazen was, had hem een muzikale verrassing uit het verre verleden bezorgd.

Vanmorgen om tien uur ter hoogte van Senigallia was Erik verder gegaan, waar hij gisteren bij het vallen van de avond was geëindigd. Eergisteren had hij bij Marotta gezocht en de dagen daarvoor bij Fano en Torette. Het strandzand was de afgelopen dagen niet uit zijn schoenen geweest. De stranden waren, ten onrechte vond hij, maar wel des te beter, buiten het zomerseizoen grotendeels verlaten. De strandtenten en kleedhokjes waren als kleine proefprojecten van Christo in plastic verpakt, de bijhorende stoelen stonden geketend op elkaar gestapeld en de douches calda en freddo waren vakkundig afgekoppeld. Hotel Diana, de Ritz en bar Ziggli lagen er, zoals praktische alle zomerverblijven, verlaten bij. Leeg beton met dichtgetimmerde zee uitzichten. Geen toerist of Italiaanse zonaanbidder was meer te bekennen. Een paar Italiaanse mannen of vrouwen die nog naar vongoles aan het zoeken waren, vergezelden de sportieve wandelaars die op hun beurt bewonderend naar de groepjes stoere kite-surfers keken. Daartussendoor liep Erik, het hoofd gebogen en de ogen speurend over het schelpenstrand. Ja, het schelpenstrand, want daar alleen kon hij zijn schatten vinden. Niet gelijk aan de rand waar de Adriatische zee de zwaardere rotzooi van de mensen terug het strand op smeet, maar op de tweede rang, iets verder het strand op, waar het lichte spul bleef liggen. Soms liep hij tegen de stank van een aangevreten vis of dode zeemeeuw aan. Onverstoorbaar zong hij verder: ”..de vissers op het wandelpad, zij krabben stug hun…”

De eerste dag had een goede oogst opgeleverd, de tweede en de derde dag wat minder, maar vandaag had hij zich niet vaak hoeven bukken. Hoewel slechts een glinstering, een diepe kleur groen, of bruin, meteen de aandacht van Erik trok. Die dagenlange alertheid had zijn brein getraind en als zijn ogen achteloos een groene of bruine kleur negeerden, dan verstilden de hersens zijn bewegingen en dwongen hem tot nader onderzoek. Niet ten onrechte, want bij nader inzien kon hij nu en dan een mooi exemplaar in zijn zak steken. Een tweede gevolg van zijn dagenlange zoektocht was een aanhoudende neiging, zelfs een obsessieve dwang om te zoeken. Zoals iemand die dagenlang het onkruid uit zijn tuin heeft moeten trekken, bij zijn wandeling in het park ook een aanzet voelt om het plantsoen van de zo bekende plukjes onkruid te ontdoen. img_1008Van al dat ingespannen turen naar de schelpjes en het zand, had Erik om het half uur een akelige kramp in zijn nek opgelopen. Regelmatig moest hij zich ertoe zetten de verte van de zee of het oneindige van de horizon te bewonderen. Je zou zeggen, dan doe je dat toch, maar zo gemakkelijk was dat niet. Ongemerkt werd zijn aandacht toch weer naar het strand getrokken en eenmaal daar met zijn ogen aangekomen, was het zo weer zoeken geblazen. Erik ergerde zich aan die dwang en als het hem te gek werd gaf hij zichzelf nog een half uur en dan moest hij van het strand vertrekken. Zo zat de surveillant van heel veel grenzen in zijn eigen hoofd.

Door het zoeken had Erik ook een nieuwe hoop ontwikkeld. Wie klein zoekt hoopt altijd op een grote vangst. Een arm mens zoekt naar verloren kleingeld. Kan hij dat niet vinden dan hoopt hij op een briefje van honderd en zoekt verder. Het is de basis van de loterij: ‘de hoop van de armoezaaier,’ typeerde Eriks vader. ‘Hoe minder prijzen je gewonnen hebt, hoe sterker de hoop op één, hele grote prijs.’ En zo verging het Erik ook die dag. Hij had nauwelijks iets gevonden, maar hij gaf niet op. Stel je voor, misschien kwam hij wel een verloren juweel tegen of een gouden ring. Erik was op zoek naar zeeglas, glad en rond geslepen, maar misschien vond hij de diamant van zijn leven wel. Dat zou toch kunnen, dacht hij en meteen daarachteraan: maar dan wel voor ik bij Hotel Fortuna ben, want daar ga ik van het strand af. Dan is het mooi geweest voor vandaag.

U hoort toch van ons.

Wij zijn nu bijna 3 maanden van huis, dus het zou tijd kunnen zijn voor een tussenbalans. Een tussenbalans van wat? Van de voor- en nadelen, van de winst en het verlies, van de uitgaven en de opbrengsten van ons verblijf in Italië? Zeker passend bij de Nederlander die ik ben, maar de Nederlander past zich ook aan en een Italiaan maakt geen balansen op, laat staan tussenbalansen. Hij (en zij ook, maar nog steeds wat minder) leeft naar eigen goeddunken.
Daarom ‘slechts’ wat impressies over ons verblijf in Italië.
senigalliaMeteen maar door naar het heerlijke eten en drinken. Hoewel wij het, uit budgettaire overwegingen, proberen te beperken hebben wij de tocht naar het restaurant al heel wat keren gemaakt. Met onze Engelse vrienden Sue en Jon, die ons in Mondavio bezochten, deden we bijna niet anders. Zij hebben een fantastische gastronomische invloed op ons. Om een goede maaltijd te krijgen is het echt niet nodig om naar een sterrenrestaurant te gaan. Praktisch elk Italiaans restaurant (en dan bedoelen we niet de pizzeria’s) gebruikt verse ingrediënten en maakt ongecompliceerde, maar zeer smakelijke gerechten. Het is even wennen aan de hoeveelheid ‘platti’, maar je mag er ook lang over doen. De gulheid waarmee Italianen deze vorm van levensvreugde uitdragen is indrukwekkend. Geen lullige porties, grote glazen, goede kwaliteit tegen zeer schappelijke prijzen. Waar je in Nederland maar net en met tegenzin een schaaltje pinda’s bij je glas wijn gezet krijgt, komt de Italiaan met allerlei hapjes aan en vraagt bij het tweede glas of je nog meer eten wil. Gratis hè. Waar in Nederland het plakje vlees een dun vliesje is, snijdt de Italiaanse slager met gemak een plak af die de half ons benadert. Enfin, als het over eten en drinken gaat is Italië ons land.
Het tweede punt waar wij maar niet over uitgepraat en uitgekeken raken is dsc_2918het fantastische landschap. Zowel Toscane, als La Marche heeft een prachtig golvend landschap. De vergezichten waar wij zo naar verlangden in Nederland liggen hier voor het oprapen. Wij hadden vroeger in Amsterdam overburen die van ‘tweehoog achter’ uit de Jordaan kwamen. Die mensen hingen de hele dag uit het raam en keken en keken hun ogen uit. Alsof zij de wereld opnieuw ontdekten, maar nu vanaf de straatkant. Zo voelen wij ons hier ook een beetje. Als het even kan en het kan zelfs heel vaak, dan zitten we buiten te eten, te drinken en te lezen, maar ook gewoon te kijken en te kijken. Die glooiende heuvels met in de verte de vulkaanachtige vormen van wat wij bergen noemen, soms met indrukwekkende wolkenluchten, maar meestal (tot nu toe) met een helderblauwe lucht erboven. Op de kleine kronkelende weggetjes, op afstand nauwelijks te onderscheiden van een karrespoor, rijden Dinky Toys die, met een beetje fantasie, door de hand van God worden voortgeduwd.
Geen wonder dat Rome in Italië ligt.
Naast de langgerekte en steile akkers, liggen zonovergoten wijngaarden in prachtige herfstkleuren en daar weer naast, olijfbomen. Een nog steeds bloeiende plant verwondert ons. De sinaasappelen in de boom en de granaatappels aan de struiken stimuleren onze plukzucht. Verder worden in deze streek (La Marche) veel witte uien gekweekt. Roofvogels en stoere jagers zijn er in overvloed, waarvan de laatsten naar onze smaak te veel. Ook zien we nu regelmatig waaierende spreeuwenwolken, een kunststukje, maar niet typisch Italiaans.
En niet te vergeten de zee, waar we nu zo dichtbij zitten. Moeten we daar nog iets over zeggen? Om de dag zijn wij daar wel te vinden en genieten van lange wandelingen op de nog langere boulevard, die ongeveer loopt van Venetië tot Pescara. Een heerlijk zonnetje, een harde wind, schuimkoppen en reuze golven.img_1103Hoewel het nu duidelijk wat kouder wordt (14 tot 18 graden) blijft het voor ons nog steeds aangenaam weer op het strand. Het lijkt alsof wij een van de weinigen zijn die dat vinden, want het strand is stil en verlaten. Een enkel tentje is nog open voor de lunch en daar zitten we dan ook. Moet je nagaan: begin november en wij zitten nog op het strand te eten. Gegrilde sardientjes!
Bijzonder waren ook de drie aardschokken/bevingen en de twee dagen machtige wind, die we meemaakten. Het was haast grappig hoe het bed, de kast, het bureau, alles heen en weer schoof en rammelde. Toen wij ons realiseerden dat het een aardbeving moest zijn, was de grap er wel zo’n beetje af en zijn we ijlings naar buiten gegaan. Gelukkig waren het bij ons echo’s van aardbevingen 50 km naar het zuiden. Niets is echt beschadigd, behalve ons vertrouwen in de stabiliteit van de aarde, nou vooruit, een muurtje met een slechte fundering heeft wat scheuren gekregen. Beetje eng en met name vanwege de kans dat het zich kan herhalen. De twee dagen storm waren ook bijzonder. Keiharde wind en dan niet voor een paar uur (zoals vaak in Nederland) maar voor twee dagen. Overigens met een zeer aangename temperatuur dus ook toen stonden wij regelmatig buiten, te kijken naar de langs schietende gitzwarte wolken die werden gekliefd door scherpe verticale bliksemflitsen. Na twee dagen bulderen en loeien viel plotseling de rust weer in. Op een voortploegende tractor en wat vogelgeluiden na alleen maar stilte, zoals wij die nog slechts op de eilanden vinden.
Na alle overdaad aan geluiden en grond stoffelijke trillingen terug naar de rust van ons tweeën. Niets dan lof over ons. We doen het goed met elkaar, zien meer van elkaar, doen meer met elkaar (zowat alles samen) en praten meer met elkaar. Geen tv, vaak geen internetverbinding, geen dringende zaken te doen, allemaal bijdragen om de aandacht te verleggen naar elkaar. Natuurlijk af en toe eens een trilling of beving, maar nooit lang (ik begin dat te leren) en zelden heftig. Door de steeds wisselende en vaak ook nieuwe omstandigheden wordt veel van ons aanpassingsvermogen gevraagd en dat beroep wordt meestentijds gehonoreerd. Natuurlijk zijn er verschillen tussen ons die op zo’n reis nog meer naar voren komen, maar vaker dan thuis moeten wij daarom lachen. Het lijkt over het geheel genomen of ons leven hier minder zwaar genomen wordt. Thuis is het vrij ernstig en zeer betrokken, hier is het licht en houden wij ons nauwelijks bezig met de journaal items.
Waar moet dat naar toe?
Dan zijn er nog die prachtige steden in Italië. In Florence hebben wij, dankzij onze Ier Quinten, nieuwe vrienden gemaakt: Ann en Marco. Ann heeft ons rondgeleid in Florence en dat was heel iets anders dan ons eerste bezoek aan Florence. Wat een heerlijke stad. Als kers op de pudding hebben wij in het nieuwe operagebouw een voorstelling bijgewoond. Bijzonder. Daarnaast hebben wij zo’n beetje alle stadjes in onze omgeving met enig historisch besef wel bezocht. Af en toe een museum of kerk. In een paardsc_2863 steden (bijv. Arezzo, Cortona, Senigallia, Corinaldo en Fano) voelen we ons aardig thuis. In Mondavio worden wij al herkend en begroet bij Bar Il Duca op het piazza Matteotti, wat een warm thuisgevoel geeft. Florence en Perugia zijn Hors catégorie.
Zijn er dan alleen maar positieve ervaringen te melden over Italië. Nee zeker niet en ik betwijfel ook of wij hier zouden willen wonen. Een van die nadelen is dat de Italianen Italiaans spreken. Ik kan mij niet voorstellen in een land te wonen waar ik de taal niet op zijn minst een beetje zou kennen. Grote handicap wat ons betreft.
Die relaxte mentaliteit heeft ook zo zijn nadelen. Verdere toelichting krijgen jullie niet.
Daarnaast is het landschap mooi om naar te kijken, maar wel erg zwaar om in te wandelen en aan wandelpaden doen Italianen al helemaal niet. Er is één weg (vaak ook nog een heul slechte) en daar moet iedereen, de automobilist, de fietser, de wandelaar en de (huis)dieren het mee doen. Je kunt je voorstellen wie het voor het zeggen heeft onder de gebruikers.
En pas op: wat in ons land een zegen is: een beetje rust en stilte, is in Italië voor onze smaak al gauw wat al te stil en afgelegen.
Nu moet ik toch gaan oppassen dat ik alsnog niet een soort balans ga opmaken met een daaraan gekoppelde conclusie. Mooi niet. Ik laat het hierbij. Wij groeten alle vrienden en bekenden, Wensen jullie een fijne winter toe en u hoort nog van ons.

 

 

Wendelien en Michiel