Pero un perro..

Ik was er niet voor en ik was er niet tegen. Ik ga gewoon mee. Naar mijn mening wordt wel gevraagd, maar niemand verwacht een antwoord en daarom geef ik het ook niet. Een beetje verbaasd de baasjes aankijken, daar blijft het vaak bij. Blijkbaar is dat ook voor hen voldoende, want volgend op hun vertedering over de blik in mijn ogen, doen zij gewoon hun eigen zin. Die overigens nog weleens wil wisselen. Na weken van slepen met hun spullen, waarbij ik mijn eigen kussen, bak en voer nog redelijk uit hun verhuizende handen kon houden, verlieten wij ons huis en togen naar elders. Eerst naar Doetinchem, maar al ras naar het zuiden, naar Spanje. Ik weet dat omdat zij mij al eens eerder dat kunstje hebben geflikt, maar toen waren wij na negen maanden terug op ons nest. Het heeft er alle schijn van dat zij dit keer een verhuizing hebben gearrangeerd die onherroepelijk is. Ik kreeg dat idee ook omdat zij mij uitgebreid de gelegenheid gaven om afscheid te nemen van Suusje, die leuke meid van de overkant. Een foto, meer heb ik van haar niet overgehouden,. Maar ik klaag niet, want mijn hang naar avontuur is groter dan mijn bindingsbehoefte. Ook al is het teefje nog zo leuk en aanhankelijk.

Terug naar de achterbank waarmee ik over de snelwegen joeg. Voorheen redelijk comfortabel, maar nu niet meer dan de Spartaanse bankjes in een derde klas treincoupé. Tegen twee gruwelijk harde koffers aanhangen is niet bepaald gerieflijk. Gelukkig deden de baasjes het rustig aan. Geen gejakker: één overnachting in Frankrijk, twee overnachtingen in Spanje, waarbij ik het verblijf in de Pyreneeën werkelijk geweldig vond. Prachtig uitzicht en plenty bomen om tegen aan te piesen. Zwaar bewolkte luchten vind ik prachtig en ik kick op grote bergen, waar mijn eigen hopen bij in het niet vallen.

Voort ging de reis. Aan de warmte was niet te ontkomen en meestentijds lag ik een beetje stijf en versuft op de achterbank te dommelen. Mijn aanwezigheid vervaagde in het vrolijke gekwetter van W&M over hun toekomstige lotgevallen. Als ik het moest geloven zou er een wereld open gaan. Met een half oor en een glimlach op mijn snoet hoorde ik hun optimistische vooruitzichten aan. Ik probeer ze een voorbeeld te geven door genoegen te nemen, zelfs tevreden te zijn met hoe en wat er is, maar het zit er gewoon niet in bij mensen.

Aangekomen in de Axarquía konden we meteen een villa bewonen in Salobreña. Hadden zij allemaal al van te voren geregeld. Prima huis in een zogenaamde ‘urbanizacíon’, wat een eufemisme is voor veel huizen bij en naast elkaar. In dit geval tegen de berg aan. Relatief weinig tuin en veel muren langs de weg, maar met een prachtig uitzicht op zee. Nou ben ik niet zo’n zee liefhebber, maar al helemaal niet als het strand verboden gebied voor mij is. In de tuin van ‘villa prachtig’ mocht ik ook al niet vrijuit rennen, want daar staan weer allemaal planten die mij verschrikkelijke jeuk kunnen en hebben bezorgd. Vier keer per dag sjouwt M  de berg met mij op en neer. Normaal gesproken geneer ik mij kapot om mijn behoefte op straat te doen, maar het kan hier niet anders. Zo onopvallend mogelijk verpakt M mijn poep in een plastic zakje en brengt het keurig naar huis of afvalbak. Ik blijf het ongemakkelijk vinden, maar hij schijnt er geen moeite mee te hebben. Sterker nog hij ziet het hele ritueel als een prima conditietraining. Beneden aan de berg eet hij een appeltje met uitzicht op zee, soms zegt hij dat hij wel 20 dolfijnen heeft gezien, en dan weer berg op met een paar lastige klimmetjes. Perfect voor de beenspieren. Gelukkig heb ik vier poten en een betere conditie dan M.

Voor de rest niets dan goed over ons verblijf. W omringt mij met genegenheid en voedsel voor het lijf en ik rust veel in het dagelijkse zonnetje. Het begint nu gelukkig wat minder warm te worden (24°) en de avonden koelen de ruimten, zonder dat het herfstachtig fris wordt. Dat is wel wat anders dan in Dieren, veronderstel ik.

De afgelopen weken hebben wij overal in de buurt naar huizen gekeken. Dat wil zeggen, ik kon buiten in de schaduw aan de boom liggen, terwijl W&M vrolijk Engels koutend met de makelaar en soms de eigenaar het huis doorspitten. De ene makelaar was nog niet weg of de ander stond al weer klaar. Ik heb nog nooit in zoveel verschillende SUV’s gezeten. Berg op, berg af, over asfaltwegen en modderpaden, met ravijnen en zonder vangrail, hoogte- en dieptepunten, ik kon op het laatst geen huis meer zien en zou alles best hebben gevonden als mijn mening gevraagd zou worden. Tegen vreemde honden blafte ik nog weleens, maar zonder enige overtuiging. Ik was voortdurend op hun terrein en zelf had ik niets te verdedigen. Zo gauw we terug waren in de Volvo begon de evaluatie van het bezoek aan Engelsman zus en Zweed zo. Voor en tegens werden uitgewisseld en de eerste voorkeuren werden in de week gezet, klaar om voor onenigheid te zorgen. Wonderlijk genoeg viel dat in de praktijk wel mee. Gelukkig heb ik er weinig verstand van en leef ik niet meer dan vijf minuten voor- en achteruit. Dat zouden W&M ook wat meer moeten doen.

Hoewel ik erbij blijf dat je eerst moeten blaffen en daarna kunt zien of er plaats is voor een vriendschap, maken W&M al bij het minste geringste contact een begin van vrienden. Meestal gaat dat via mij. De mensen vinden mij cute en quapo en dan is het gesprek snel op gang gebracht. Soms moet ik dan kennismaken met de hond van de vreemdelingen, een Corgi, Engelse bulldog of een ‘geredde’ Podenco . Ja, het zijn mijn merken niet, maar de baasjes vinden het fijn als ik aardig tegen ze doe. Ze heten Rosie, Paco of Berta maar ze halen het niet bij Suusje.

Enfin, de prachtige ochtenden en avonden verstrijken, de dagen stranden in schilderachtige schoonheid en de zee ligt onverstoorbaar van bergvoet tot kim.

Wij gaan verder en misschien een volgend keer vanuit een eigen huis.

Porque ir?

Het werd tijd om de twee rozen te verpotten en de pot op een andere plek te planten. De stokroos en de Spaanse roos deelden al achtentwintig jaar dezelfde aarde en nog was de grond waarin de twee verenigd waren, niet schraal of zuur te noemen. Hoewel minder frequent kwamen steeds nieuwe knoppen tot bloei, die hun kleur en geur met vrienden en buren deelden. Al dan niet wilde scheuten kwamen en gingen. Slechts één overleefde het strenge snoeiregime en is als pioenroos een eigen leven gaan leiden. En succesvol.

Nou zeggen veel mensen, ook zij die er verstand van hebben, dat je rozen in hun eigen pot moet laten staan en ze niet op oudere leeftijd uit hun vertrouwde aarde moet halen. De wortels vormen een ingewikkeld stelsel dat de rozen door de jaren heen verbonden en gevoed heeft. Dat stelsel kun je makkelijk bij het verpotten beschadigen en dat levert zeker geen langer of beter leven op voor de rozen.

Andere deskundigen zijn het tegenovergestelde van mening. Vooral de oudere rozen zijn gevoelig voor schimmelziekten die vaak in de potgrond genesteld zijn. Juist het snoeien en verpotten van oude en stokoude rozen levert kracht en nieuw elan voor de bloei op. Anders dan vele andere bloemen en planten wortelt de roos niet in de breedte, maar in de diepte. Bereiken de rozen het dieptepunt van hun pot dan stopt hun groei en juist dan zal een totale verplanting hen ten goede kunnen komen. Natuurlijk is een dergelijke aanpak niet zonder risico en er zijn ook rozen die deze transitie niet overleven. Doen zij dat wel (en dat is voor een groot deel ook afhankelijk van het karakter van de roos) dan groeit er altijd iets moois uit. Rozen houden van zon, een wijds uitzicht en een goede luchtcirculatie. De stokroos en de Spaanse roos zijn daar geen uitzondering op en dus gingen zij.

10 x 50

Ontvoerd.

Een zwarte zak werd over zijn hoofd getrokken. Hij zou een keer aan de beurt zijn.‘Precies doen wat wij zeggen’, gromde iemand. Auto in, auto uit. Hij liep onzeker, nieuwsgierig maar bang.De zak werd van zijn hoofd getrokken. De ruimte was vel verlicht en vol apparatuur.Hij herkende de producer van het programma.

Erfenis

In plaats van de Stichting Unicef, erfde ík tweeënhalf miljoen van pa.Daarna leefde ik zonder maat en mededogen. Ik loog en bedroog. Mijn vrouw en zoon verlieten mij. De hebberds en de geilaards schudden graag mijn hand. Mijn leven werd leeg. Vader, kon u niet zien dat ik het goede doel niet ben?

Citroën Ache

Zo nu en dan pakt hij zijn bestelauto met duim en wijsvinger aan het dakje vast en schuift hem voor- en achteruit. Een heel klein stukje maar, om te kijken of hij nog rijden kan. En om zijn herinneringen aan de vakanties in Frankrijk te vervoeren. Dan rijdt hij terug naar de administratie.

 

Kop eraf.

Mensen vragen hoe ik zonder kop gekomen ben. Dat komt zo: van mijn twaalfde tot mijn tweeënvijftigste heb ik nagedacht. Over van alles en nog wat heb ik mij het hoofd gebroken. Het was niet te stoppen. Ik dacht misschien als ik mijn kop eraf sla en inderdaad er kwam een einde aan.

Nietpistool

Hij was een stoere doe-het-zelver. Thuis, maar ook bij vrienden. Opgetuigd met een gereedschapsriem en spijkerschort voelde hij zich een echte Bob de Bouwer. Hamers, tangen, hingen aan zijn heup; spijkers, schroeven zaten in zijn buidel. Door een stom ongeluk met het nietpistool moest hij het timmeren van de kist aan een ander overlaten.

Couture

De klerenkast staat open, de kleding verspreid over de grond. Woedend en huilend kijkt zij naar haar exclusieve garderobe. Daar liggen dan haar Gucci’s en Céline’s. In haar wanhopige handen houdt zij haar aangevreten lievelingsjurk. De moordzucht sijpelt door haar tranen. Doodslaan wil ze hem. De mot vliegt uit de kast, de vrijheid tegemoet.

Uitweg

Het was wanhopig uit. Niets leek nog van waarde, het kon haar allemaal geen barst meer schelen. Alles bleek niet waar te zijn. Zelfs de herinneringen waren bedrieglijk geworden. Een vreselijke tussenpijn. Hij was er met Vincent vandoor gegaan. Weg van alle leugens kon hij weer ademhalen. Zoveel werd weer mogelijk. Wat een bevrijding.

Nog even

De ochtend twijfelt of hij wel vandaag zal worden. De vuilniswagen rijdt rumoerig door de straat en onvermijdelijk word ik wakker. De wekker is nog niet eens afgegaan, zo vroeg nog. Knorrig zet ik het alarm af en trek de dekens hogerop. Het kabaal rijdt verder. Op mijn kussen keert de rust terug.

Tweestrijd

Het is gissen wat er in de slaapkamer van mijn ouders gebeurt. Mijn vriendjes zeggen het te weten, maar mijn ouders neuken echt niet. Het schijnt een paradijs te zijn. Soms hoor ik schreeuwen, slaan en huilen in dat paradijs. Kan dat? In dezelfde kamer, in hetzelfde bed? Mijn vader en moeder kunnen dat.

Fast food

Een jonge merel probeert een liedje te fluiten. Het klinkt zo onbezorgd, helemaal klaar voor een tienjarige toekomst. De rollende zang van een mannetje verandert plotsklaps in een krassend alarm. Een schaduw valt naar beneden, donkerbruine donsjes dwarrelen in het rond. Met de toekomst in zijn klauwen vliegt de valk naar zijn nest.

 

Mevrouw Desmet komt terug

Die eerste keer dat ik bij mevrouw Desmet thuis kwam, zat zij ineengedoken in haar relax-en-sta-op stoel. In haar woonkamertje hing een penetrante lucht. Ik herkende die geur. De sleetse gordijnen waren half gesloten. Het licht deed alle moeite om naar binnen te komen, meer dan een bundeltje dwarrelend stof werd het echter niet. Overal lag rotzooi: etensresten, lege flessen, verkreukelde zakdoekjes, oude kranten en dingen die ik niet kende. Binnen handbereik stond een glas troebel water op een brocante tafel, met daarnaast een flesje Boldoot eau de cologne. Mevrouw had haar looprekje strak naast haar stoel geparkeerd, maar ondanks dat was zij, afgaand op de uitgebeten vlekken in de houten vloer, vaak te laat bij het toilet. Aan de onderste stang van het rekje hing, als een krachtige geurvlag, een versleten vochtige dweil. ‘Voor de ongelukjes’, vertrouwde zij mij later toe.

 

De instelling waarvoor ik werk probeert de eenzaamheid van mensen te verzachten. Zelf ben ik ongeschikt voor eenzaamheid: ik sta er niet bij stil, over mijzelf denk ik niet na, ik ben gevuld met energie en vrolijkheid, de hele dag zou ik wel willen spelen. Ik ken de mensen en de mensen kennen mij en anders dan zorg ik daar wel voor. Eenzaamheid kan ik herkennen, begrijpen, doe ik het niet. Alleen, dat ben ik regelmatig, maar mevrouw Desmet, dat was andere koek, die was eenzaam. Daar was geen ‘gevalideerde eenzaamheidsschaal’ voor nodig, dat kon je zo zien. Zij was langzaam aan het verdwijnen. Het was alsof zij door het ijs zakte: eenmaal in het ontstellend koude water, wilde zij zich overgeven, geen weerstand meer bieden. Ze wist dat het haar dood kon zijn, maar wel een heerlijke zorgeloze dood. Toch zou één handreiking voldoende kunnen zijn om mevrouw Desmet nog uit het wak te trekken.

Nu kwam het erop aan. Vier maanden training moesten zich gaan uitbetalen. Instructeurs en begeleiders hadden mij van alles bijgebracht. Braaf heb ik hun opdrachten uitgevoerd, negenennegentig keer herhaald en met evenveel plezier de honderdste keer opnieuw gedaan. Nog een korte stage gedaan, in mijn geval bij een jonge vrouw die zich totaal vergeten voelde, en uiteindelijk met trots mijn certificaat gehaald.

Samen met mijn begeleidster stapte ik bij mevrouw Desmet de kamer in. Ik moest haar voor mij winnen, anders zou zij verder wegzakken in haar apathie. Na een eerste verkenning van de omgeving gaf ik een bescheiden blafje af en dartelde langs mijn begeleidster naar mevrouw Desmet toe. Ik ging een half metertje van haar af zitten en keek haar welwillend en vol verwachting aan, klaar om haar verwarde blik te beantwoorden met onbekommerde vrolijkheid. Voorlopig bleef zij nog een beetje suffen. Er moest een schepje bovenop. Ik kwispelde met mijn staart, boog mijn kop voor haar en piepte om haar aandacht. Met grote wilskracht negeerde ik de geur van de dweil. Misschien dat geen mens het zag, maar ik voelde een beweging, een licht ontwaken. Het werd tijd voor lichamelijk contact. Met alle signalen die ik ter beschikking had, liet ik haar weten dat ik blij was bij haar te zijn. Ik snuffelde aan haar benen en schaamde mij niet om met mijn kop onder de zoom van haar jurk te neuzen. Mevrouw Desmet zat onder de interessante geuren. Ik wilde meer en op mijn achterste poten staand, legde ik mijn kop op haar schoot en bleef geduldig wachten.

Haar stoel kwam langzaam overeind en nog half in haar eigen wereld schuilend, tilde mevrouw Desmet haar hand op en aaide teder over mijn kop.

Eikoerei

Eigenlijk was Palmpasen een leuker feest dan Pasen zelf. Het verhaal over de wederopstanding vond ik als kind wel spannend, maar het kon nooit echt gebeurd zijn. Hoe lief je ook bent, dood is dood en dan kun je niet meer opstaan. De voetwassing op witte donderdag was een beetje vies, vooral omdat het maar één keer per jaar gebeurde. Voorstelbaarder was het verraad van Judas. ’Zo lopen er nog veel rond,’ zei mijn vader. Ook bij de beklimming van Golgotha kon ik mij iets voorstellen. Al die mensen die schreeuwen en spugen en daartussendoor loopt Maria en Simon van ‘Sirene’ die Jezus helpt met het kruis dragen. Goede Vrijdag (hoezo goed?) vond ik heel eng met Jezus die door zijn handen getimmerd wordt en tenslotte met donder en bliksem aan het kruis doodgaat. Wat erg.
Het leukste aan Pasen was het paasontbijt en dan vooral het ongelimiteerd eten van het heerlijkste paasbrood dat mijn vader zelf bakte.

Nee, dan Palmpasen. Dat was een vrolijk feest met veel gezwaai van palmtakken, samen zingen en mooie Palmpaasoptochten. Hosanna! De intocht van Jezus, welkom, welkom. Hij moest eens weten wat hem nog boven het hoofd hing.

We waren een jaar of vijf en onze neuzen zullen waarschijnlijk nu nog op het etalageraam van de wijnhandel op de Middenweg te zien zijn. Echte kuikentjes liepen in de etalage over een trapje in en uit een reusachtig ei. Rood gloeiende lampen hielden de kuikentjes warm. Het was de eerste keer dat wij zulke jonge kuikentjes zagen en onze eigen kleinigheid versmolt met de zachtheid van de kuikens.

In de Paasoptocht liepen alle kinderen van school mee die een palmpaasstok hadden gemaakt. De stok bestond uit twee, liefst ronde latjes, die in een kruis waren samengebonden. Het hart van het kruis kon een rond broodje zijn en bovenop moest in ieder geval een broodhaan staan. De stokjes kon je omwikkelen met crêpepapier, versieren met slingers, leeggeblazen eieren, rozijnen en pinda’s. Buxustakjes haalden we uit de tuin van de buren en staken die waar het ons mooi leek. Mijn vader bakte een prachtig gevlochten rond broodje en een kloeke broodhaan. Allebei glommen zij van het eigeel. Kleine kunstwerkjes waren het, waaraan mijn vader uren werk had gehad.

Mijn zusje en ik hadden de taak de palmpaasstok naar ons bewaarschooltje in de Laing’s Nekstraat te brengen en vandaar met de klas over het kippenbruggetje naar de Bessemerstraat, waar op de eerste verdieping van een soort fabrieksgebouw een noodkerk was ingericht. Die tocht moest heel voorzichtig gemaakt worden, want de volgehangen palmpaasstok was zwaar en kwetsbaar. We waren als de dood dat er iets kapot zou gaan of dat de haan van zijn stok zou vallen. Nog erger: een van de grote jongens van de Leonardusschool zou de haan wel kunnen weg grissen. Je moest er niet aan denken.
“Palm palm Pasen, ei koerei, één ei is geen ei, twee ei is een half ei, drie ei is een Paasei.” Aan zingen kwamen wij niet toe, we hadden wel iets anders aan ons hoofd.

Natuurschoon

Met een waterig zonnetje kabbelde het licht de vroege ochtend in. De peppels ruisten en besneeuwden de landweg met donzige pluisjes. Op hun akkertje maakte een kudde rode geuzen hun ochtendwandeling door het drassige land. Al wat vliegen kon was in de lucht of bereidde zich daarop voor. Een zenuwachtig trillende waterjuffer klemde zich vast aan de sigaar van een lisdodde. Het ontging Mathieu niet dat zijn aanwezigheid door de natuur was opgemerkt. Uit de meidoorn heg fladderde een koppel fazanten luid kokkerend op. Drie kraaien alarmeerden de buurtgenoten, hazen en konijnen vluchtten het maïsveld in. Om van het ongerepte parfum van de jonge dag te genieten, stond Mathieu wel vaker erg vroeg op.

Mathieu is een natuurliefhebber zonder specifieke voorkeur. Hij houdt van elk landschap, van zee en lucht en elk dier. Hoewel hij graag alleen is, mag je hem niet mensenschuw noemen. ‘Een beetje eigenaardig,’ vinden veel mensen uit zijn omgeving en als je Mathieu zo door het veld ziet banjeren, dan kan je je dat wel voorstellen. Hij loopt als een reiger, met opgetrokken poten en veel te lange passen, de nek voorbij de schouders en het hoofd voorop. Meent hij iets te horen of te zien dan staat hij stil en knijpt zijn slechte ogen tot smalle spleetjes. Maakt dat het beeld niet scherp genoeg, dan is er altijd nog de oude kijker, paraat bungelend op zijn buik. Aandachtig observeert hij de contreien en wat hem vreemd of zeldzaam voorkomt schrijft hij op. Maakt niet uit wat of wie het is, alles waar hij niet bedacht op is wordt in de vermoedelijke hoedanigheid in zijn boekje opgeschreven, met dag- en tijdnotering, zodat de waarneming compleet is.

Zo liep Mathieu die ochtend met zijn halfhoge wandelschoenen door het vochtige gras. Hij genoot van de stilte en haalde nog eens extra diep de frisse lucht in. Hij wilde graag gezond zijn. Door al het ontwaken en bewegen om hem heen voelde hij het leven. Aandachtig keek hij in het rond, want hoewel het hem allemaal bekend voorkwam, wilde hij zich toch graag laten verrassen. Toen hij omlaag keek zag hij nog net een gladde slang. Waarschijnlijk op weg naar een eerste zonnebad van die dag. Niet echt zeldzaam, dacht Mathieu, maar toch zie je ze maar zelden. Toen de slang onder de vegetatie was verdwenen pakte hij zijn boekje en schreef het op. Tevreden liep hij verder en verwonderde zich over de roze kleuren van de ochtend wolken. Wat een prachtige penseelvoering. Van de verre horizon ging zijn blik naar beneden, naar een open plek met lage begroeiing en een houten bankje, leek het wel. Mathieu wist het niet zeker, maar dacht in die verte, versnipperde felle kleuren te zien. Beducht om wat het ook was te verstoren, bleef hij staan en pakte zijn kijker. Hoewel de kleuren beter zichtbaar werden, bleven de contouren vaag en ondefinieerbaar. Het zou een ijsvogeltje kunnen zijn, dacht Mathieu, vanwege de felle kleuren. Aan de andere kant, redeneerde hij verder, zag hij meer kleine delen dan grote gehelen. Hij besloot in de richting te lopen, rustig en zonder gerucht om niets te laten schrikken of te laten verdwijnen. Vijftig meter van de plek vandaan, bleef hij even staan. Het was er nog, de kleuren scherper, hier en daar transparant, met ronde en vierkante vormen. Langzaam kreeg hij een vermoeden en bij elke pas werd dat vermoeden sterker. Nog tien meter, het vermoeden smolt weg en een harde werkelijkheid diende zich aan. Mathieu was ontdaan en kon het haast niet geloven. Hoe was het mogelijk? Het was een domper op de prachtige ochtend. Hij pakte zijn boekje en teleurgesteld noteerde hij:

 

Woensdag 23 juli 2015. Aangetroffen in de Waardse Broek bij de bank geschonken door de Natuurvrienden van Broekselanden:
– drie of vier verscheurde pizzadozen
– vijf plastic flesjes, waarvan één met opschrift: Smirnoff Vodka
– 14 sigarettenpeuken
– een aangevreten broodje
– een wikkel van een Mars
– een bijna lege zak met wokkels
– een stuk ondergoed
N.B. Om 06.30 verzameld en meegenomen.

De aap uit de mouw

Lieve pap en mam,

Ja, dit zal jullie wel verrassen, een brief van je dochter, zoveel schrijf ik jullie niet. Ik praat liever. Al die woorden op papier, ik vind het maar eng. Het staat zo vast en zwart op wit.  Maar door het toch op te schrijven kunnen jullie rustig je gedachten laten gaan over wat ik jullie zeggen wil. Ik heb het ook met Jacques besproken.

Over een half jaartje gaat pap met pensioen. Hij heeft het hartstikke verdiend en Jacques en ik hopen dat er nog een prachtige tijd te gaan is voor jullie. Als geen ander weten wij hoe jullie ernaar uit hebben gezien om eindelijk eens de tijd voor jezelf te hebben en te genieten van het leven, zonder van alles te moeten. Vijf jaar geleden begon pap er al over: “ik zal blij zijn als ik eindelijk eens kan doen wat ik wil” en dat liedje zong hij met steeds een andere tekst. Op de laatste vier verjaardagen bij ons thuis heeft hij het eigenlijk over niets anders gehad. Hij heeft er hard genoeg voor gewerkt en jij ook hoor, mam. Jacques en ik gunnen jullie het allemaal van harte. Weet je nog de laatste keer in Amsterdam? We hadden met z’n tweeën in hartje Amsterdam een heerlijke ‘high tea’ bij Gartine of zo wat. Nou, dat leek jou ook wel, zo’n soort van lunchrestaurantje met een paar tafeltjes. Niet voor het geld, maar alleen voor de fun.

‘”Als pa gepensioneerd is, lijkt het mij heel leuk om zoiets te gaan doen,” zei je met de gloed van de voorpret al op je wangen. Ik kon aan je gezicht zien dat alle heerlijke taarten, die je door de jaren heen voor ons hebt gebakken, weer langs kwamen, maar nu voor de zaak, voor de gasten. Alleen het idee al, mam. Weet je wel dat je gewoon dag en nacht in de weer bent met zo’n zaak? En dan kom je echt aan niets anders meer toe, hoor. Als je het leuk vindt moet je het natuurlijk doen, maar hoe denkt pap daar eigenlijk over? Gaan jullie dat samen doen? Ik zie pap al rondlopen met dikke hangop met woudhoning en zelf gemaakte bosbessenchutney. Laat hij zijn plannen om naar een warm land te vertrekken zomaar vallen? Hij moest toch naar de Sancerre, heerlijke wijn trouwens, en een andere keer naar de Costa del Sol, terwijl hij Zeeland zeker niet uitsloot.

Enfin,  het gaat om jullie leven en jullie moeten natuurlijk gaan doen wat je leuk lijkt. Nogmaals we gunnen het jullie van harte en natuurlijk zijn jullie absoluut vrij om te doen en te laten wat je wil, maar waar zijn wij in dat mooie plaatje?

Ik ben nu vier maanden zwanger dus hopelijk zijn jullie over een klein halfjaartje opa en oma. En waar zijn opa en oma dan? Ergens in een Amsterdams steegje de gasten aan het verwennen? Of zijn ze misschien net bezig met de ochtendgymnastiek op het strand van Torremolinos? Wij weten het niet en eerlijk gezegd hebben wij er op gerekend dat jullie bij ons zouden zijn. We hebben daar nooit iets over afgesproken en wij willen ook geen beslag op jullie leggen, maar ………ja, wij hadden toch wel op jullie support gerekend. Jacques staat voor een belangrijke doorbraak in zijn carrière en het is maar helemaal de vraag of daar een parttime baan bij hoort. Jullie eigen dochter heeft eindelijk de positie waar jullie ook hard voor gewerkt hebben en met minder dan vier dagen hoef ik echt niet aan te komen. Twee dagen op de crèche en dan blijven twee dagen over. Ik kan moeilijk aan de vader van Jacques vragen of hij op ons kind wil passen. Die man is een weduwnaar en 72!

Het klinkt allemaal vreselijk lullig mam. Het lijkt wel of we nu al met ons kind lopen te leuren en dat willen wij helemaal niet. Het is niet alleen de oppas ( weet je trouwens dat je daar als oppasopa en oma ook geld voor kan krijgen?) maar ik zou het vreselijk vinden als ik niet af en toe bij je binnen zou kunnen lopen. En Jacques kan altijd zo fijn met pap over het werk praten. Eigenlijk hebben wij er ook naar uitgekeken dat jullie wat meer vrije tijd zouden hebben. Dat jij niet meer de hele dag met het huishouden bezig bent en pap niet voortdurend met zijn werk. Wat een heerlijke tijd zou dat gaan worden!  Pap, die niet meer op de meest onmogelijke tijden wordt opgeroepen om ergens in het land bijstand te verlenen. Gezellig samen eten in plaats van in je eentje op hem te zitten wachten. De tijd voor jezelf! Die ga je toch niet helemaal vol plempen met andere activiteiten, mam. Jullie moeten het echt rustiger aan gaan doen. Je wordt ook een dagje ouder. Geniet van je kleinkinderen, wie weet hoe kort de tijd samen nog is. Ach verdorie, daar wil ik niet eens aan denken.

Nou mam, het is misschien niet leuk voor jullie, maar ik ben blij dat ik het eindelijk gezegd heb. Het zat ons al lang dwars en we zijn echt bezorgd over hoe dat nu verder moet.

Praat er eens met pap over, dan wordt het in ieder geval duidelijker waar wij wel en niet op kunnen rekenen. Voorlopig is het nog niet zo ver, dus we hebben nog even de tijd om het goed te regelen.

Heel veel liefs en kusjes van Gerdien, ook van Jacques, ook aan pap.

 

Het post-vakantieverhaal

Die eerste dagen na de vakantie: daar zie ik altijd erg tegenop. Niet tegen het binnenshuis moeten leven, want meestal heb ik het na vier weken vakantie wel gehad met dat zonnige buitenverblijf. De zon is een opdringerig typje geworden en daar hou ik niet van. Ik ben allang blij als mijn schone overhemd de dag weer zonder zweetplekken doorkomt. Ik verlang alweer een beetje naar een sweater of sportieve hoody om mij heen. Nee, het zijn niet de temperatuurverschillen die mij ongerust maken.

Wat ik vrees is de stroom vakantieverhalen. Of het nu op straat is of op het werk, bij de supermarkt of de sportschool, iedereen wil zijn wonderlijke en unieke vakantieavonturen vertellen. Alsof het een therapeutische verwerking is van een zware periode in het leven.
Ik kan het nu al uittekenen:
Ik kom de werkruimte binnen, vol positieve energie groet iedereen en direct begint het spel van vraag en antwoord: ‘Goede vakantie gehad?’, ‘Genoten?’, ‘Waar zijn jullie geweest?’, ‘Was het bij jullie ook zo warm?’
Op straat: ‘Hé, buurman ook weer terug?’ Op de sportschool: ‘En nu het er allemaal weer af zien te krijgen hè?’ In de supermarkt: ‘Wat zie je er goed uit, waar heb je dat vandaan?’
Met een eenvoudig ‘Ja, prima’, ‘heerlijk’ of ‘het was lekker rustig’ kom ik niet weg. Soms laat ik het bij een kort informatief antwoord, maar omdat ik graag belangstellend wil overkomen speel ik de bal terug met: ‘en jij?’ Dat is natuurlijk de vertelgoden verzoeken. De popelende vertellers hebben geen uitnodiging nodig: ‘Leuke vakantie gehad? Ach, wij hebben wel zoveel pech gehad, dat was niet normaal. Eerst met de auto in Duitsland en toen we in Kroatië aankwamen bleek ons hotel vol te zitten. Dus wij naar de groeten van Max bellen en toen kregen we meteen Sybrand aan de lijn, je weet wel die man die ook huizen voor je zoekt in Spanje, maakt niet uit, hij vroeg wat er aan de hand was en dat hebben wij dus verteld namelijk…. etc.’

Zonder pardon worden alle details, met alle belangrijke zijwegen, in geuren en kleuren beschreven. Misschien ontbreekt het velen aan verteltalent, misschien kunnen velen slechts de exacte gebeurtenissen vertellen. Na drie minuten hebben zij mij echt verloren. Het doet mij denken aan de door mijn vader zorgvuldig ingeraamde en becommentarieerde diaseries van de familievakanties. Ik denk dat toen mijn angst voor het vakantierelaas is ontstaan.

Als we nu eens afspreken dat we al die vakantieverhalen gewoon verzinnen. We geloven die ‘echt heerlijke vakantie in Frankrijk’ wel. Leve de spetterende orgie op de vakantie in Oude Pekela, de roofoverval met nagenoeg dodelijke afloop die we meemaakten in de Dordogne, of de gruwelijke overnachtingen in een bergspelonk ter hoogte van Marbella waar we overigens eerst een ongelikte beer uit moesten verjagen. Ik zou er goed mee kunnen leven om uitsluitend verzonnen vakantieverslagen aan te horen en te vertellen. Het zou mijn post-vakantievrees sterk verminderen.

Twee vrienden

Ik beschouw ze beiden als mijn vrienden. Grote, magistrale vrienden, die niet ophouden er te zijn. Veel mensen kun je typeren als ‘nogal aanwezig’, een beetje druk in doen en praten, met op de achtergrond een wens dat het wat minder zou kunnen zijn, maar bij hen is dat ongepast. Zij hebben absoluut de oudste rechten: Zij zijn zoals zij zijn en het gaat niet aan hen te veranderen.

Hij is een reus met diepe rimpels. Ver boven mij uitreikend, staat hij onverzettelijk tussen zijn broeders, die al niet minder ontzagwekkend zijn. Als de zon schijnt ligt hij breeduit zich te koesteren en komt er regen neer, dan wordt hij onbedaarlijk vruchtbaar. Van alles groeit er op zijn flanken: bloemen, amandelen, olijven, sinaasappelen en de belofte van een rijpende dronkenschap. Hoe langer ik hem ken, hoe meer ik van hem weet; hoe meer hij mij geruststelt met wat mij eerder zo benauwde: zijn imposante massa en de steilheid van zijn wegen. Hij vindt het allemaal wel best, ook al gromt en dondert hij als de spanning hem te veel wordt. Soms staat hij fluitend in de wind als ik bescherming zoek, dan weer dwalen hem de tranen naar beneden, in rivieren verzamelend om naar zijn grillige vriendin te stromen.

Ik ken haar, die vriendin van hem. Het is ook mijn vriendin, hoewel met wisseling van plezier en ongenoegen. Zij kan er wat van. Meestal is zij zeer genoeglijk en ontspannen. Zij ligt dan in de zon te kabbelen en verdoet haar tijd met eb en vloed. Boten laat zij varen en al wat drijft en zwemt dat heeft haar zegen. Totdat zij er genoeg van lijkt te hebben. Dan wordt de rust haar plotseling te veel, dan gaat haar boezem woest op en neer en baart zij hoge rollers. De tomeloze golven smijt zij driftig op het strand. Steeds een stukje verder, steeds dichter bij de paviljoenen en de chiringuitos. Afwisselend spuugt en zuigt zij alle kiezels op, het gruist en bruist, de oren worden ons gewassen. Als een brutale haaibaai pakt zij de sardientjes van de grill, die haar vanochtend nog ontstolen zijn. Tenslotte dooft zij alle vuren, sleurt stoelen en tafels van terrassen, dweilt de boulevard met modder aan en dwingt de mensen tot een grote schoonmaak. En dat alles onder een wolkeloze, zonnige hemel. Na uren de branding opgestookt te hebben gaat zij weer poeslief liggen alsof er niets aan de hand is. Niet dat wij het erg vinden. Haar woedende capriolen zijn werkelijk de moeite waard, zo het al een moeite was met knabbel en een witte wijn. Ik weet dat zij verder uit had kunnen halen. Meer ellende, grotere schade en zeker natte sokken, maar zij liet dat na. Het was niet kwaad bedoeld en daarom kunnen we vrienden blijven.

Drie keer toeteren

Het was een van de zeldzame keren dat ik samen met collega Farley in Amsterdam-Noord reed. Farley was al 23 jaar ambulancechauffeur en Noord kende hij beter dan zijn broekzak.

Anneloes en Siebren Wiersma stonden al op de stoep van de Adelaarsweg te wachten. Dat was maar goed ook, want Siebren Wiersma kon geweldig uit zijn slof schieten als zijn vrouw hem niet op tijd klaar had. Dan vloekte en tierde hij tegen haar en als ze niet oppaste kon zij een soejang krijgen. Maar dit keer leek zij er zonder kleerscheuren van af te zijn gekomen. Anneloes leidde haar man onder de oksel en Siebren hield krampachtig een wandelstok in zijn rechterhand geklemd. Beiden probeerden de val die in elke stap van Siebren verscholen zat, te ontlopen.

‘Een goedemorgen,’ zei ik monter, toen ik uit de auto stapte en op het echtpaar toeliep. ‘Fijn dat jullie er zijn,’ zei Anneloes opgelucht en bood mij haar man aan. Ik nam zijn vochtige oksel over en zij probeerde haar arm wat te ontspannen. ‘Zullen we naar de auto lopen, meneer Wiersma?’ vroeg ik. Zonder een antwoord, maar met stugge vasthoudendheid schopte Siebren zijn onwillige benen een voor een naar voren. Naar links, naar rechts, het leek wel schaatsen op een baan van twee stoeptegels breed.

Ondertussen was Farley ook uit het busje gekomen. Hij gaf Anneloes een zoen op haar wang, liep naar Siebren en mij toe en gaf hem een bemoedigend klopje op zijn schouder. Siebren schudde onwillig zijn hoofd. Onder zijn oksel voelde ik dat hij meer verlangde van zijn lijf, maar slechts een nurks gebrom werd hem gegund. Misschien beviel de kus van Farley hem niet, of was dat meer wat ik dacht? Terwijl ik Siebren de auto in hielp, wat nog een riskant karwei was vanwege de ongecontroleerde bewegingen die zijn lichaam maakte, stond Farley nog met Anneloes te praten. Het was haar aan te zien dat zij zware tijden doormaakte. Farley wist haar nog een lachje te ontfutselen, maar die verdween al rap als een avondzonnetje in een zee van zorgen.

Toen ik mij voor Siebren langs boog om de autogordel te pakken, greep hij mij vast en trok mij naar zich toe. Ik kon mij nog net van zijn schoot houden toen hij siste: ‘Farley is een schoft, mijn vrouw is niet te vertrouwen en hoe zit het met jou?’ Ik trok de gordel uit de rol en gespte Siebren vast. ‘Nou meneer Wiersma,’ zei ik ‘dat is ook niet aardig.’ Siebren keerde zich onmiddellijk van mij af. Quasi geïnteresseerd keek hij langs mij heen naar Anneloes en Farley. Oppassend voor mijn hoofd, stapte ik achteruit de auto uit. In het voorbij gaan hield ik nog even de knie van Siebren vast en schoof toen de deur dicht. Op straat rechtte ik de rug.

‘En gedroeg hij zich een beetje?’ vroeg Anneloes. ‘Ach, het ging allemaal best, maar hij is wel erg verkrampt en humeurig,’ antwoordde ik. ‘Wil je geloven dat Siebren tot een jaar geleden nog een hele vriendelijke en zachtaardige man was?’ vroeg Anneloes. ‘Dat hoort bij de ziekte,’ verklaarde Farley ‘en dat wordt alleen maar erger.’ Anneloes zuchtte en knikte met haar hoofd dat zij dat ook wel wist. ‘We moeten gaan, Farley,’ zei ik. ‘Dag mevrouw Wiersma.’Farley legde zijn hand op de arm van Anneloes, zei iets tegen haar dat ik niet verstond en ging achter het stuur zitten. ‘Zit je goed, Siebren?’ vroeg Farley in zijn spiegel kijkend. Siebren gaf geen antwoord. Hij keek strak naar buiten. De auto startte, Farley zwaaide naar Anneloes en weg reden we.

Het was stil in de auto, naar ieders gedachten kon je raden, maar het waren er velen. Ter hoogte van het Kraaienplein sloeg Farley de Eksterstraat in, na honderd meter minderde hij snelheid, toeterde drie keer nadrukkelijk en reed via de Havikstraat naar de Meeuwenlaan. Bij het revalidatiecentrum stapten wij uit en hielpen Siebren naar binnen. Terug in de auto vroeg ik Farley wat dat voor vreemd gedoe was in de Eksterstraat. ‘Drie keer toeteren, waar slaat dat op?’

‘Luister’ zei hij met het gezicht van iemand die alles begrijpt, ‘Anneloes is een gezonde en aardige vrouw. Aan Siebren heeft zij niet veel meer, veel geven en heel veel incasseren, want naast de zenuwen en spieren is ook zijn karakter naar de kloten aan het gaan. Als Anneloes dat vraagt dan rij ik even door de Eksterstraat en toeter 3 keer bij nummer 25. Theo, die man woont daar, weet dan dat Siebren de rest van de middag op de revalidatie zit en hij kan dan naar Anneloes. Als wij de melding krijgen dat we Siebren weer op kunnen halen, bel ik Anneloes even op en kan Theo weer terug naar de Eksterstraat, snap je?’