Natuurschoon

Met een waterig zonnetje kabbelde het licht de vroege ochtend in. De peppels ruisten en besneeuwden de landweg met donzige pluisjes. Op hun akkertje maakte een kudde rode geuzen hun ochtendwandeling door het drassige land. Al wat vliegen kon was in de lucht of bereidde zich daarop voor. Een zenuwachtig trillende waterjuffer klemde zich vast aan de sigaar van een lisdodde. Het ontging Mathieu niet dat zijn aanwezigheid door de natuur was opgemerkt. Uit de meidoorn heg fladderde een koppel fazanten luid kokkerend op. Drie kraaien alarmeerden de buurtgenoten, hazen en konijnen vluchtten het maïsveld in. Om van het ongerepte parfum van de jonge dag te genieten, stond Mathieu wel vaker erg vroeg op.

Mathieu is een natuurliefhebber zonder specifieke voorkeur. Hij houdt van elk landschap, van zee en lucht en elk dier. Hoewel hij graag alleen is, mag je hem niet mensenschuw noemen. ‘Een beetje eigenaardig,’ vinden veel mensen uit zijn omgeving en als je Mathieu zo door het veld ziet banjeren, dan kan je je dat wel voorstellen. Hij loopt als een reiger, met opgetrokken poten en veel te lange passen, de nek voorbij de schouders en het hoofd voorop. Meent hij iets te horen of te zien dan staat hij stil en knijpt zijn slechte ogen tot smalle spleetjes. Maakt dat het beeld niet scherp genoeg, dan is er altijd nog de oude kijker, paraat bungelend op zijn buik. Aandachtig observeert hij de contreien en wat hem vreemd of zeldzaam voorkomt schrijft hij op. Maakt niet uit wat of wie het is, alles waar hij niet bedacht op is wordt in de vermoedelijke hoedanigheid in zijn boekje opgeschreven, met dag- en tijdnotering, zodat de waarneming compleet is.

Zo liep Mathieu die ochtend met zijn halfhoge wandelschoenen door het vochtige gras. Hij genoot van de stilte en haalde nog eens extra diep de frisse lucht in. Hij wilde graag gezond zijn. Door al het ontwaken en bewegen om hem heen voelde hij het leven. Aandachtig keek hij in het rond, want hoewel het hem allemaal bekend voorkwam, wilde hij zich toch graag laten verrassen. Toen hij omlaag keek zag hij nog net een gladde slang. Waarschijnlijk op weg naar een eerste zonnebad van die dag. Niet echt zeldzaam, dacht Mathieu, maar toch zie je ze maar zelden. Toen de slang onder de vegetatie was verdwenen pakte hij zijn boekje en schreef het op. Tevreden liep hij verder en verwonderde zich over de roze kleuren van de ochtend wolken. Wat een prachtige penseelvoering. Van de verre horizon ging zijn blik naar beneden, naar een open plek met lage begroeiing en een houten bankje, leek het wel. Mathieu wist het niet zeker, maar dacht in die verte, versnipperde felle kleuren te zien. Beducht om wat het ook was te verstoren, bleef hij staan en pakte zijn kijker. Hoewel de kleuren beter zichtbaar werden, bleven de contouren vaag en ondefinieerbaar. Het zou een ijsvogeltje kunnen zijn, dacht Mathieu, vanwege de felle kleuren. Aan de andere kant, redeneerde hij verder, zag hij meer kleine delen dan grote gehelen. Hij besloot in de richting te lopen, rustig en zonder gerucht om niets te laten schrikken of te laten verdwijnen. Vijftig meter van de plek vandaan, bleef hij even staan. Het was er nog, de kleuren scherper, hier en daar transparant, met ronde en vierkante vormen. Langzaam kreeg hij een vermoeden en bij elke pas werd dat vermoeden sterker. Nog tien meter, het vermoeden smolt weg en een harde werkelijkheid diende zich aan. Mathieu was ontdaan en kon het haast niet geloven. Hoe was het mogelijk? Het was een domper op de prachtige ochtend. Hij pakte zijn boekje en teleurgesteld noteerde hij:

 

Woensdag 23 juli 2015. Aangetroffen in de Waardse Broek bij de bank geschonken door de Natuurvrienden van Broekselanden:
– drie of vier verscheurde pizzadozen
– vijf plastic flesjes, waarvan één met opschrift: Smirnoff Vodka
– 14 sigarettenpeuken
– een aangevreten broodje
– een wikkel van een Mars
– een bijna lege zak met wokkels
– een stuk ondergoed
N.B. Om 06.30 verzameld en meegenomen.

Twee vrienden

Ik beschouw ze beiden als mijn vrienden. Grote, magistrale vrienden, die niet ophouden er te zijn. Veel mensen kun je typeren als ‘nogal aanwezig’, een beetje druk in doen en praten, met op de achtergrond een wens dat het wat minder zou kunnen zijn, maar bij hen is dat ongepast. Zij hebben absoluut de oudste rechten: Zij zijn zoals zij zijn en het gaat niet aan hen te veranderen.

Hij is een reus met diepe rimpels. Ver boven mij uitreikend, staat hij onverzettelijk tussen zijn broeders, die al niet minder ontzagwekkend zijn. Als de zon schijnt ligt hij breeduit zich te koesteren en komt er regen neer, dan wordt hij onbedaarlijk vruchtbaar. Van alles groeit er op zijn flanken: bloemen, amandelen, olijven, sinaasappelen en de belofte van een rijpende dronkenschap. Hoe langer ik hem ken, hoe meer ik van hem weet; hoe meer hij mij geruststelt met wat mij eerder zo benauwde: zijn imposante massa en de steilheid van zijn wegen. Hij vindt het allemaal wel best, ook al gromt en dondert hij als de spanning hem te veel wordt. Soms staat hij fluitend in de wind als ik bescherming zoek, dan weer dwalen hem de tranen naar beneden, in rivieren verzamelend om naar zijn grillige vriendin te stromen.

Ik ken haar, die vriendin van hem. Het is ook mijn vriendin, hoewel met wisseling van plezier en ongenoegen. Zij kan er wat van. Meestal is zij zeer genoeglijk en ontspannen. Zij ligt dan in de zon te kabbelen en verdoet haar tijd met eb en vloed. Boten laat zij varen en al wat drijft en zwemt dat heeft haar zegen. Totdat zij er genoeg van lijkt te hebben. Dan wordt de rust haar plotseling te veel, dan gaat haar boezem woest op en neer en baart zij hoge rollers. De tomeloze golven smijt zij driftig op het strand. Steeds een stukje verder, steeds dichter bij de paviljoenen en de chiringuitos. Afwisselend spuugt en zuigt zij alle kiezels op, het gruist en bruist, de oren worden ons gewassen. Als een brutale haaibaai pakt zij de sardientjes van de grill, die haar vanochtend nog ontstolen zijn. Tenslotte dooft zij alle vuren, sleurt stoelen en tafels van terrassen, dweilt de boulevard met modder aan en dwingt de mensen tot een grote schoonmaak. En dat alles onder een wolkeloze, zonnige hemel. Na uren de branding opgestookt te hebben gaat zij weer poeslief liggen alsof er niets aan de hand is. Niet dat wij het erg vinden. Haar woedende capriolen zijn werkelijk de moeite waard, zo het al een moeite was met knabbel en een witte wijn. Ik weet dat zij verder uit had kunnen halen. Meer ellende, grotere schade en zeker natte sokken, maar zij liet dat na. Het was niet kwaad bedoeld en daarom kunnen we vrienden blijven.

Drie keer toeteren

Het was een van de zeldzame keren dat ik samen met collega Farley in Amsterdam-Noord reed. Farley was al 23 jaar ambulancechauffeur en Noord kende hij beter dan zijn broekzak.

Anneloes en Siebren Wiersma stonden al op de stoep van de Adelaarsweg te wachten. Dat was maar goed ook, want Siebren Wiersma kon geweldig uit zijn slof schieten als zijn vrouw hem niet op tijd klaar had. Dan vloekte en tierde hij tegen haar en als ze niet oppaste kon zij een soejang krijgen. Maar dit keer leek zij er zonder kleerscheuren van af te zijn gekomen. Anneloes leidde haar man onder de oksel en Siebren hield krampachtig een wandelstok in zijn rechterhand geklemd. Beiden probeerden de val die in elke stap van Siebren verscholen zat, te ontlopen.

‘Een goedemorgen,’ zei ik monter, toen ik uit de auto stapte en op het echtpaar toeliep. ‘Fijn dat jullie er zijn,’ zei Anneloes opgelucht en bood mij haar man aan. Ik nam zijn vochtige oksel over en zij probeerde haar arm wat te ontspannen. ‘Zullen we naar de auto lopen, meneer Wiersma?’ vroeg ik. Zonder een antwoord, maar met stugge vasthoudendheid schopte Siebren zijn onwillige benen een voor een naar voren. Naar links, naar rechts, het leek wel schaatsen op een baan van twee stoeptegels breed.

Ondertussen was Farley ook uit het busje gekomen. Hij gaf Anneloes een zoen op haar wang, liep naar Siebren en mij toe en gaf hem een bemoedigend klopje op zijn schouder. Siebren schudde onwillig zijn hoofd. Onder zijn oksel voelde ik dat hij meer verlangde van zijn lijf, maar slechts een nurks gebrom werd hem gegund. Misschien beviel de kus van Farley hem niet, of was dat meer wat ik dacht? Terwijl ik Siebren de auto in hielp, wat nog een riskant karwei was vanwege de ongecontroleerde bewegingen die zijn lichaam maakte, stond Farley nog met Anneloes te praten. Het was haar aan te zien dat zij zware tijden doormaakte. Farley wist haar nog een lachje te ontfutselen, maar die verdween al rap als een avondzonnetje in een zee van zorgen.

Toen ik mij voor Siebren langs boog om de autogordel te pakken, greep hij mij vast en trok mij naar zich toe. Ik kon mij nog net van zijn schoot houden toen hij siste: ‘Farley is een schoft, mijn vrouw is niet te vertrouwen en hoe zit het met jou?’ Ik trok de gordel uit de rol en gespte Siebren vast. ‘Nou meneer Wiersma,’ zei ik ‘dat is ook niet aardig.’ Siebren keerde zich onmiddellijk van mij af. Quasi geïnteresseerd keek hij langs mij heen naar Anneloes en Farley. Oppassend voor mijn hoofd, stapte ik achteruit de auto uit. In het voorbij gaan hield ik nog even de knie van Siebren vast en schoof toen de deur dicht. Op straat rechtte ik de rug.

‘En gedroeg hij zich een beetje?’ vroeg Anneloes. ‘Ach, het ging allemaal best, maar hij is wel erg verkrampt en humeurig,’ antwoordde ik. ‘Wil je geloven dat Siebren tot een jaar geleden nog een hele vriendelijke en zachtaardige man was?’ vroeg Anneloes. ‘Dat hoort bij de ziekte,’ verklaarde Farley ‘en dat wordt alleen maar erger.’ Anneloes zuchtte en knikte met haar hoofd dat zij dat ook wel wist. ‘We moeten gaan, Farley,’ zei ik. ‘Dag mevrouw Wiersma.’Farley legde zijn hand op de arm van Anneloes, zei iets tegen haar dat ik niet verstond en ging achter het stuur zitten. ‘Zit je goed, Siebren?’ vroeg Farley in zijn spiegel kijkend. Siebren gaf geen antwoord. Hij keek strak naar buiten. De auto startte, Farley zwaaide naar Anneloes en weg reden we.

Het was stil in de auto, naar ieders gedachten kon je raden, maar het waren er velen. Ter hoogte van het Kraaienplein sloeg Farley de Eksterstraat in, na honderd meter minderde hij snelheid, toeterde drie keer nadrukkelijk en reed via de Havikstraat naar de Meeuwenlaan. Bij het revalidatiecentrum stapten wij uit en hielpen Siebren naar binnen. Terug in de auto vroeg ik Farley wat dat voor vreemd gedoe was in de Eksterstraat. ‘Drie keer toeteren, waar slaat dat op?’

‘Luister’ zei hij met het gezicht van iemand die alles begrijpt, ‘Anneloes is een gezonde en aardige vrouw. Aan Siebren heeft zij niet veel meer, veel geven en heel veel incasseren, want naast de zenuwen en spieren is ook zijn karakter naar de kloten aan het gaan. Als Anneloes dat vraagt dan rij ik even door de Eksterstraat en toeter 3 keer bij nummer 25. Theo, die man woont daar, weet dan dat Siebren de rest van de middag op de revalidatie zit en hij kan dan naar Anneloes. Als wij de melding krijgen dat we Siebren weer op kunnen halen, bel ik Anneloes even op en kan Theo weer terug naar de Eksterstraat, snap je?’

Chaos

Ik ben 68 jaar en kerngezond. Dat laatste is niet waar. Ik ben juist in de kern niet gezond. Aan mijn kern mankeert van alles en verschillende keren hebben daar al reparaties plaatsgevonden. Dat is helemaal niet erg, want als de buitenkant nog goed intact is kun je nog zeker twintig jaar mee. Dat zie je maar aan mijn vader, zijn kern was al rot toen hij 18 was en hij werd uiteindelijk zesenzeventig. Er valt voor mij dus nog heel wat lol te beleven. Tenminste als ik niet bij de pakken neer ga zitten of zo angstig word dat ik de deur niet meer uit wil. Zo’n periode heb ik weleens meegemaakt. Ik woonde met mijn vrouw Emma in Amsterdam en elke straat of dwarsstraat, steeg of pad joeg mij angst aan. Heel die angst7ruimte, al die leegte, was te groot. Op pleinen, wegen, lanen en boulevards begaf ik mij sowieso al niet. Toen ook de mensen mij angstig maakten en ik mijn vrienden van de straat ontliep, ben ik maar thuisgebleven. Vervolgens verloor ik in luttele dagen ook mijn thuis. Ons huis deugde van geen kanten meer. De gemoedelijke sfeer in de woonkamer werd grondig verpest door de loerende tv, die maar niet uitgeschakeld raakte. Ik deed de knop wel tien keer aan en dan weer uit zonder enig effect. De stekker trok ik uit het stopcontact en toen dat nog niet hielp, heb ik het kreng uit het raam moeten gooien. Emma vond dat niet leuk, maar zij kon het wel begrijpen, had zij gezegd. In de keuken was het volkomen chaos. Wel vijf keer op een dag moest ik alle potten, pannen, borden, kopjes en schoteltjes op hun plaats zetten. Steeds waren zij verschoven. En door wie? Het zal onze hond wel geweest zijn, zullen we maar zeggen. Ik heb weleens gehoord van mensen die aan een dwangneurose lijden, dat zij alles in één rechte lijn willen hebben, als soldaten in perfect gelid, maar dat lijkt mij niets voor mij. Ik doe liever niets, dan dat ik wat móét doen. Al met al maakte de hele situatie mij onrustig en angstig, dus bleef ik in mijn studeerkamer, waar Emma mij bediende en geruststellend toesprak. Hoewel dat heel lief is, irriteerde mij dat ook. Niet mateloos, maar toch. Om te voorkomen dat ik bang zou worden van mijn vrouw, dat zou zij niet verdienen, ben ik naar de zolder verhuisd. Tussen planken en gevonden schroeven en moeren, in gezelschap van dertien hamers, drie knijptangen, drie zagen, waarvan één elektrisch, liefst achttien schroevendraaiers, waarvan zeker vijf met kruiskop, twee waterpomptangen en vier combinatietangen, slechts één bahco, een opklapbaar kampeerbed en een grote houten werkbank, alsook een boekenkast vol met boeken, voelde ik mij rustig worden. Mijn lieve vrouw bracht mij driemaal daags een lichte maaltijd en een kopje koffie in de avond, anders kon ik niet in slaap komen. Gelukkig was er water op de zolder, evenals een dakgoot waarin ik mijn urine kwijt kon. Aan andere behoeften, veel had ik er niet, kwam ik toe in de uren dat mijn vrouw naar haar werk was. Als een dief sloop ik ons huis dan in, deed wat ik moest doen en kroop als een geslagen hond mijn zolderhok weer in. Zeven weken heb ik zo geleefd, gelezen en gedroomd. Toen kwam de dokter naar de zolder toe. Hij wilde eerst graag met mijn vrouw alleen spreken. Een beetje achterdochtig was ik wel, maar bij zo’n omstandigheid moet je niet te lang stil blijven staan. Samen hebben zij verteld wat beter voor mij was en hoe ik zo ver kon komen. Dezelfde dag nog had ik pillen in mijn hok die ik elke dag moest slikken. Na vijf dagen heb ik de zolder en mijn angsten achter mij gelaten en woonde weer, naar ons beider genoegen, samen met mijn vrouw. Ik kon gewoon de straat weer op en in plaats van ze te mijden sprak ik mensen weer aan. Dat was niet voor niets, want ik had nog zeker honderd slaap- en kalmeringsmiddelen over, waarvan ik het doodzonde vond ze door de wc te spoelen. De huisarts die ‘er de voorkeur aan gaf even met mijn vrouw onder vier ogen te praten’ had mij pillen voor wel tien jaar slapen voorgeschreven. Ik moet daar niet te lang bij stil blijven staan. Voordelig was het wel. Het is verrassend hoeveel mensen op straat rondlopen, die voor een zacht prijsje zo’n kalmeringsmiddel wel willen hebben. Ik heb de pillen verkocht en zie het als mijn bijdrage, gesponsord door het ziekenfonds, aan een rustiger leefklimaat in de grote stad. Helemaal de oude voelde ik mij nog niet dus vond ik de verkoop van het laatste doosje pillen nog het moeilijkste. Je weet niet wat er nog te gebeuren staat. Je zal het altijd zien: dan heb je je laatste pillen verkocht en prompt word je weer angstig, je weet het immers nooit. Zo gaat het bij zoveel dingen die je weggooit. Ik heb die ervaring vooral bij gereedschap of bij rubber ringetjes, dus die gooi ik niet meer weg. Als ik helemaal eerlijk zou zijn, dan zou ik nu moeten zeggen dat ik die ervaring ook met meisjes heb. muppetJuist als ik haar heb weggedaan, mis ik haar enorm en heb ik haar heel erg nodig. Maar zo praat je niet over meisjes. Althans niet over mijn meisjes, die waren stuk voor stuk gemaakt om heel lang lief te hebben. Alleen zo’n idioot als ik, een vent die steeds maar denkt niet goed genoeg te zijn, eigenlijk voor niemand niet, maar vooral niet voor het meisje van zijn dromen, zo’n zot loopt van zijn meisje weg. Nou goed, ik deed dat altijd in een slechte periode, maar mag dat een excuus zijn? Mag je de liefde die je tegemoet komt waaien, ontwijken omdat je in een depressie bent geraakt? Hoe wist Emma doordat cordon sanitaire heen te breken? Ook nu ik weer gezond bent weet ik geen antwoord op die vragen. Ik wil maar zeggen: ik moet erg op mijn tellen passen, want de angst ligt altijd op de loer. Zoiets wil ik niet nog eens meemaken, liever ga ik nog zeker twintig jaren mee.

mijn steun en toeverlaat

‘Zeg gasten, waar zitten jullie momenteel?’
‘Bij het Mirandabad, centrale.’
‘Dan mogen jullie mevrouw Wilking van de Vrijheidslaan 98 twee, voor revalidatie naar Vreugdenhof brengen.’

Mensen houden niet van stilstaande ambulancewagens voor hun deur. Dat maakt ze nerveus en argwanend. Alles met een zwaailicht en sirene hoort met spoed onderweg te zijn. Daarom eten wij vaak aan de Amstel. De boterhammen zijn op en Hugo en ik zijn gevonden door de alwetende centrale.

‘Gaan we doen, Joris,’ zeg ik door mijn GSM.

Terwijl ik mijn thermoskan dichtschroef, drukt Hugo zijn sigaret uit. Hij zwaait wat in het rond om de sigarettenrook weg te jagen. In diensttijd mag je niet roken, maar Hugo zegt dat hij het nodig heeft. Ik vind het goor. Hij kan niet goed tegen de ellende die wij vervoeren. Niet te geloven dat hij vroeger taxichauffeur is geweest, zo zorgzaam en aardig is hij voor de patiënten. En dan zal Ik hem zijn sigaretje afnemen?
Ik rook niet, maar een pot met drop helpt ook. Hoewel ik ’s nachts weleens een heftig ritje over doe, houden grappen mij overdag op veilige afstand van te veel inlevingsvermogen.

Precies acht minuten na de oproep staan we bij mevrouw Wilking voor de deur. Veel te vroeg natuurlijk.
‘Snel een sigaretje?’ vraagt Hugo.
‘Doe maar niet, man. We zien wel hoe ver mevrouw is.’
Wij stappen uit, lopen naar 98 en ik bel op tweehoog aan. Er wordt niet meteen opengedaan. Ik kijk langs de gevel naar boven.
‘Wist jij dat het hier vroeger Stalinlaan heette?’ vraagt Hugo.
‘Ja’ antwoord ik, ‘maar het fijne weet ik er niet van. Bel nog eens aan’
Hugo pakt de koperen deurknop, duwt ertegen, probeert eraan te draaien en belt opnieuw aan.
‘Heeft met de inval in Hongarije te maken,’ zegt Hugo en draait zich om, want de deur wordt van het slot getrokken.
‘Ga jij maar eerst’ zegt Hugo en ik stap naar binnen.

‘Ziekenvervoer,’ roep ik naar boven, staande op de eerste traptree. Hugo sluit de deur achter ons.
‘Bent u het broeder?’ vraagt een licht wanhopige stem van tweehoog naar beneden.
Hugo en ik kijken elkaar aan en zonder lachen roep ik terug: ‘Nee mevrouw, hondenbelasting.’
Na een kort moment van mogelijke bezinning roept mevrouw: ‘Komt u maar boven, broeder.’ Mevrouw Wilking laat de grap beleefd aan zich voorbijgaan.
In het trappenhuis is het donker en het ruikt naar kattenpis. De trap is steil en smal. Het lampje op de eerste overloop brandt niet. De lichtknop is moeilijk te vinden en als ik er eenmaal op gedrukt heb, blijkt het ding kapot te zijn.
Verder gaat onze opgang naar mevrouw Wilking. De stank wordt scherper en slaat op de keel. De deur van de woning van mevrouw Wilking staat gastvrij open. Zijzelf is nergens te bekennen. Een veel te mooie hanglamp van Muranoglas brengt kleurig licht in het halletje.
‘Doe de handschoenen maar aan,’ zegt ik tegen Hugo. Als kwieke zorgcowboys trekken wij onze blauwe latex handschoenen uit de achterzak en steken er onze handen in.

Vanuit de woonkamer hoor ik mevrouw weer vragen of wij ‘de broeder’ zijn.
‘Helemaal uit Amsterdam gekomen, mevrouw Wilking.’
‘Oh, ik ben zo blij dat u er bent. Ik wacht de hele morgen al. Ik heb gebeden dat u gauw zal komen. Ik heb u zo nodig. Waar bent u al die tijd geweest? Waar is mijn steun en toeverlaat?’
Voorzichtig gaan wij de woonkamer binnen. De gordijnen zijn dicht en een antieke schemerlamp verlicht naar beste kunnen de bedompte huiskamer. In de hoek van de kamer staat een televisie: beeld aan, geluid uit. Het deftig meubilair staat er verwaarloosd bij, alsof het achteloos is achtergelaten. Op de vloer liggen Perzen, waarvan de motieven zijn verdwenen onder vuiligheid. In het midden van de kamer, bij de tafel, staat vergroeid met haar looprek mevrouw Wilking.
‘Goed dat u met twee bent. Ik moet namelijk gedragen worden. Ik heb niet voor niets gewacht. Maar voor nu zoek ik mijn steun en toeverlaat,’ zegt zij zenuwachtig.
Aan de muren hangen foto’s, schilderijen en antieke spiegels. Aan de gore stank valt niet te ontsnappen. Hugo jaagt een kat van tafel en overziet het schimmelig palet van rottende etensresten.
‘Niet te filmen,’ is zijn beknopte commentaar.
Hugo loopt naar een statief lamp, doet de stekker in het stopcontact en bekijkt op zijn gemak, als was hij op een fototentoonstelling, dus met de handen op de rug, de prenten aan de muur. ‘Heeft u de foto’s gezien, broeder. Heeft u mijn zoon bij de Heilige Vader gezien? Waar is nou toch mijn steun en toeverlaat?’

Dan duwt mevrouw Wilking haar kont naar achteren, gaat in spreidstand in haar looprek staan en slaakt een hopeloze zucht. Langs haar benen, nog vertraagd door de stof van haar kousen, sijpelt de urine op de toch al geteisterde vloerkleden.
‘Heb je dat gezien Giel, er hangt hier inderdaad een foto van de Paus. Er ligt een volwassen vent voor hem op de knieën. ‘Is dit uw zoon op deze foto, mevrouw Wilking?’
‘Zeg Hugo, kun je even assisteren?’ zeg ik met een flinterdun verwijt in mijn stem. Hugo maakt zich los van de fototentoonstelling en ziet mevrouw Wilking in de verstilde ontreddering van haar geknoeide plas staan.
‘Hè, mevrouw Wilking,’ zegt Hugo teleurgesteld, alsof we net de boel schoon hadden.
‘Ik moet mijn steun en toeverlaat hebben?’ Met haar looprek maakt zij een pirouette en schuifelt weg. Na drie stappen staat zij stil:’ Alleluja, daar ligt zij, mijn steun en toeverlaat,  mijn vod, mijn lot.’
Hugo en ik kijken naar de plek waar mevrouw Wilking haar vod heeft teruggevonden. Als een frommeltje in elkaar gevouwen ligt daar het smerige ding.
‘Dat is een vieze dweil, mevrouw Wilking,’ moet ik zo nodig zeggen.
Maar mevrouw Wilking straalt en lacht. Zij is blij en lijkt weer wat completer. Maar er is ook spijt:
‘Ik heb haar laten liggen en veronachtzaamd. Ik mag dat nooit meer doen. Ach broeder, zou u haar even aan de stang van mijn looprek willen hangen?’
Zij kijkt daarbij gelukkig naar Hugo. En Hugo zou Hugo niet zijn als hij dat zou weigeren.
Tussen duim en wijsvinger, beschermd door de latex, pakt hij de dweil op, pakt met de ander hand de andere punt en hangt de dweil in een nat vierkant aan de linkerkant van het looprek. Blij dat hij van het stinkende vod af is, blaast hij met bolle wangen uit.
‘Nee broeder niet daar. Graag aan de andere kant.’
‘Ja, dat is natuurlijk niet de goede kant Hugo. Een steun en toeverlaat hangt altijd rechts. Dat je dat niet weet,’ zeg ik.
‘Maar natuurlijk mevrouw Wilking. U zegt het maar,’ en Hugo pakt de dweil van het rekje, en hangt het aan de rechterkant van het looprek.
Weer verenigd met haar dweil loopt mevrouw Wilking terug naar waar zij heeft geplast. Daar schudt zij de dweil op de grond en met de rechter poot van het looprek drukt zij het vod in de natte plek. Een beetje vinnig wrijft zij vervolgens flink heen en weer. Het looprekje kraakt ervan.

Hugo en ik aanschouwen de zelfredzaamheid van mevrouw als betreft het een onnavolgbare actie van Johan Cruijff. Op de een of andere manier raken we een beetje gewend aan de vreselijke stank, de walging is er wel af, ergens groeit bewondering.looprek
Inmiddels is mevrouw Wilking bij haar sta-op-stoel gekomen en vraagt: ‘Mag ik nog even zitten broeder?’
‘Hoe laat verwachten zij u op Vreugdenhof, mevrouw?’
Met een diepe zucht gaat mevrouw Wilking zitten.
‘Oh dat spijt mij, ik ben helemaal vergeten u een kopje koffie aan te bieden, heren.’
‘Rust u maar even uit, mevrouw. We hebben net koffie gehad,’ zeg ik.
‘Zou ik hier een sigaretje mogen opsteken, mevrouw?’ vraagt Hugo.

 

 

Arrivederci Italia

dsc_2847Onafwendbaar als het wolkenfront dat over de bergen komt, moeten wij richting huis. Voor even, voor een paar weken en dan gaan we weer. De opgestoomde lucht krijgt de kans niet eens om uit te regenen. Het wordt kouder, maar de zon blijft schijnen. Nog dagen zijn we buiten. De auto is schoon en opgeruimd. De olie is gecontroleerd. De banden kunnen vier seizoenen aan. De route van de terugweg is gepland; de eerste stop is in Saronno.

Weemoedig verzamelen wij de spullen, die wij 3 maanden geleden verspreidden om het huis van ons te maken. Handdoek voor handdoek, kledingstuk voor kledingstuk, boek voor boek geven wij het huis terug aan de verhuurders. Niet de kurkentrekker vergeten en de badkamerkleedjes zijn ook van ons. Welgeteld één wijnglas en één glazen lampenkapje hebben ons verblijf niet overleefd. Wij dubben er nog over om eerlijk te zijn, tenslotte laten we ook veel achter: een halve pot pindakaas, een nog bijna volle pot heerlijke jam, zout, peper, afwasblokjes, hout voor de haard, schoonmaakmiddelen en wat al dies meer. Een compleet kerstpakket waar iedereen wat aan zou kunnen hebben. Waarschijnlijk blijft het huis met de feestdagen achter zonder bewoners. Het door ons aangeschafte kunstkerstboompje op de schoorsteenmantel gaat een sfeerloze kerst tegemoet. Terwijl hij daar zo leuk staat, als iemand hem zou zien.

De zomerkoffer, de winterkoffer, de wisselkoffer, de medicijntas en het toiletspullenkoffertje worden ingepakt. De boeken en de stofjes liggen er allang in. Keurige stapeltjes, rotzooierige eenlingen en gepoetste paren staan klaar voor vertrek.

Alle ruimte in de auto moet tot in de kleinste hoeken plaatsmaken voor onze bagage.

‘Nemen we nou meer mee dan toen wij kwamen?’ vragen wij elkaar. Met een globale opsomming van heen- en terugbagage proberen we elkaar wijs te maken dat we minder hebben in te pakken. Met de auto tot de nok gevuld, rest maar één conclusie: de auto is in een paar maanden tijd een stuk kleiner geworden.

Van veel gewoonten, van plezierige activiteiten en van vertrouwde rituelen realiseren wij ons dat het de laatste keer is. Op de laatste zaterdag geven wij de Nigeriaanse jongen die bij de supermarkt ons karretje terug in het rek zet (daar staat hij voor), iets extra’s. Beschaamd dat wel, maar dat maakt voor hem niet uit. ‘Thank you very much , sir’

dsc_3017Vaarwel, prachtig landschap, spijtig dat je weer een plaatje wordt. Tot ziens, verwarmende zon, jammer dat je in de mist verdwijnt. De groeten met ons buitenleven, we moeten weer bij nul beginnen. Alles wat wij hebben gezien, zet zich vast in een herinnering. Veel om te missen. Gelukkig hebben wij de foto’s nog om te weten hoe het was. Sommigen zullen vervagen en uiteindelijk verdwijnen als de wolken over de bergen.

Morgen zullen wij vertrekken uit La Marche, naar alsmaar noordelijker.

Hotel Fortuna

“En aan het strand verdomd veel zand.” Als een getijde golf was het liedje van Jaap Fisher bij Erik in het hoofd gerold en was er niet meer uit te drijven. Hij kende de tekst woord voor woord, al vierenveertig jaar, en gewilloos zong hij in gedachten mee. Alleen bij het “Zeeland, recreatieland” veroorzaakte zijn geografische werkelijkheid een aarzeling. Hoe kwam hij in Godsnaam op het Veerse gat? Het moest van de uren zwalken over het strand tussen Fano en Ancona komen. De eindeloze zandvlakte die hij aan het afgrazen was, had hem een muzikale verrassing uit het verre verleden bezorgd.

Vanmorgen om tien uur ter hoogte van Senigallia was Erik verder gegaan, waar hij gisteren bij het vallen van de avond was geëindigd. Eergisteren had hij bij Marotta gezocht en de dagen daarvoor bij Fano en Torette. Het strandzand was de afgelopen dagen niet uit zijn schoenen geweest. De stranden waren, ten onrechte vond hij, maar wel des te beter, buiten het zomerseizoen grotendeels verlaten. De strandtenten en kleedhokjes waren als kleine proefprojecten van Christo in plastic verpakt, de bijhorende stoelen stonden geketend op elkaar gestapeld en de douches calda en freddo waren vakkundig afgekoppeld. Hotel Diana, de Ritz en bar Ziggli lagen er, zoals praktische alle zomerverblijven, verlaten bij. Leeg beton met dichtgetimmerde zee uitzichten. Geen toerist of Italiaanse zonaanbidder was meer te bekennen. Een paar Italiaanse mannen of vrouwen die nog naar vongoles aan het zoeken waren, vergezelden de sportieve wandelaars die op hun beurt bewonderend naar de groepjes stoere kite-surfers keken. Daartussendoor liep Erik, het hoofd gebogen en de ogen speurend over het schelpenstrand. Ja, het schelpenstrand, want daar alleen kon hij zijn schatten vinden. Niet gelijk aan de rand waar de Adriatische zee de zwaardere rotzooi van de mensen terug het strand op smeet, maar op de tweede rang, iets verder het strand op, waar het lichte spul bleef liggen. Soms liep hij tegen de stank van een aangevreten vis of dode zeemeeuw aan. Onverstoorbaar zong hij verder: ”..de vissers op het wandelpad, zij krabben stug hun…”

De eerste dag had een goede oogst opgeleverd, de tweede en de derde dag wat minder, maar vandaag had hij zich niet vaak hoeven bukken. Hoewel slechts een glinstering, een diepe kleur groen, of bruin, meteen de aandacht van Erik trok. Die dagenlange alertheid had zijn brein getraind en als zijn ogen achteloos een groene of bruine kleur negeerden, dan verstilden de hersens zijn bewegingen en dwongen hem tot nader onderzoek. Niet ten onrechte, want bij nader inzien kon hij nu en dan een mooi exemplaar in zijn zak steken. Een tweede gevolg van zijn dagenlange zoektocht was een aanhoudende neiging, zelfs een obsessieve dwang om te zoeken. Zoals iemand die dagenlang het onkruid uit zijn tuin heeft moeten trekken, bij zijn wandeling in het park ook een aanzet voelt om het plantsoen van de zo bekende plukjes onkruid te ontdoen. img_1008Van al dat ingespannen turen naar de schelpjes en het zand, had Erik om het half uur een akelige kramp in zijn nek opgelopen. Regelmatig moest hij zich ertoe zetten de verte van de zee of het oneindige van de horizon te bewonderen. Je zou zeggen, dan doe je dat toch, maar zo gemakkelijk was dat niet. Ongemerkt werd zijn aandacht toch weer naar het strand getrokken en eenmaal daar met zijn ogen aangekomen, was het zo weer zoeken geblazen. Erik ergerde zich aan die dwang en als het hem te gek werd gaf hij zichzelf nog een half uur en dan moest hij van het strand vertrekken. Zo zat de surveillant van heel veel grenzen in zijn eigen hoofd.

Door het zoeken had Erik ook een nieuwe hoop ontwikkeld. Wie klein zoekt hoopt altijd op een grote vangst. Een arm mens zoekt naar verloren kleingeld. Kan hij dat niet vinden dan hoopt hij op een briefje van honderd en zoekt verder. Het is de basis van de loterij: ‘de hoop van de armoezaaier,’ typeerde Eriks vader. ‘Hoe minder prijzen je gewonnen hebt, hoe sterker de hoop op één, hele grote prijs.’ En zo verging het Erik ook die dag. Hij had nauwelijks iets gevonden, maar hij gaf niet op. Stel je voor, misschien kwam hij wel een verloren juweel tegen of een gouden ring. Erik was op zoek naar zeeglas, glad en rond geslepen, maar misschien vond hij de diamant van zijn leven wel. Dat zou toch kunnen, dacht hij en meteen daarachteraan: maar dan wel voor ik bij Hotel Fortuna ben, want daar ga ik van het strand af. Dan is het mooi geweest voor vandaag.

Plannen

Als personal manager van de bestuursvoorzitter van het energiebedrijf Electron had Lina een agendarijk bestaan vol met regelzaken en zorgtaken. Vakanties waren de korte periodes dat zij aan zichzelf mocht denken. Doen waar zij zin in had.
Arno kon zich geen andere vakanties herinneren. Hij was gewend Lina te volgen. Met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee meneer Donkers al jaren haar aandacht opeiste, schikte hij zich in de uitgekiende vakantieprogramma’s van zijn vrouw. Die paar weken verlossing gunde hij Lina. Haar sleutelwoorden voor een goede vakantie waren: musea en concerten, mooie historische steden en uitgelaten evenementen. Voor Arno betekende vakantie nietsdoen, lezen en lekker eten en drinken. Liefst aan zee. Soms kwamen zij in de buurt van dat plaatje en daar deed Arno het dan mee.
Lina zag geen reden haar voorkeuren meer op Arno af te stemmen. Zij hield ontzettend veel van hem en uit niets bleek dat Arno dat niet van haar deed. Er zijn nou eenmaal mensen die het leven graag op zich af laten komen, redeneerde zij, terwijl anderen het naar hun hand kneden. Arno behoorde duidelijk tot de eerste groep. Zo was dat bij de keuze voor een restaurant, de wijnkeuze, een film of theater en ook bij het vrijen gaf zij vaak de voorzet.

Misschien was het de opmerking van zijn dochter: ‘….. en jij doet altijd alles wat mam wil.’ Zij had het hem min of meer verweten en dat stak Arno. Het raakte hem als man. Het jeukte aan zijn ego en hij wilde direct flink krabben. Hij kende dat soort types: braaf achter de vrouw aan, aardig en behulpzaam, maar ook zijen sokken. Zo wilde hij niet zijn.
‘Nou, ‘altijd alles’ is overdreven, maar misschien zit er wel een kern van waarheid in,’ antwoordde hij. Tegenspreken wilde hij zijn dochter niet, maar hij nam zich voor, om te beginnen, dit jaar de vakantie zelf vorm te geven.

Lina had gekleurd van oor tot oor. In het functioneringsgesprek had meneer Donkers haar werk en toewijding geprezen, maar tegelijkertijd haar wens om alles onder controle te hebben en te houden bekritiseerd. ‘Soms, voel ik mij net een kleine jongen die van hot naar her gestuurd wordt door zijn moeder en voortdurend onder haar controle staat,’ zei hij onverwacht openhartig.
‘Meent u dat?’ kon zij slechts zeggen.
‘Doe ermee wat je wilt, misschien is het wel mijn probleem, wie weet, maar ik wilde je het toch een keer zeggen.’
Lina had erover nagedacht. Zij hoefde niet aan Arno te vragen of hij dat herkende. Dat dominante trekje was haar maar al te bekend. Misschien moest zij meer op anderen vertrouwen en het maar laten gebeuren?

In april, temde Lina de verleiding om van al haar leuke vakantie ideeën, subtiele suggesties voor Arno te maken.
Meneer Donkers had gevraagd wanneer zij haar vakantie had gepland en met veel moeite perste zij eruit dat nog niet te weten.
‘Alles goed, Lina?’ vroeg meneer Donkers.
Lina was benieuwd of Arno zou wachten tot zij met een voorstel kwam. Ik zal het wel zien, dacht zij, maar eerlijk gezegd was zij er niet gerust op. Spannend was het wel, want het kon ook zo maar te laat worden om nog iets te regelen.

Het verwonderde Arno dat zelfs tot in juni Lina geen woord had laten vallen over de vakantie, maar hij weigerde zich te laten kennen. Misschien had Lina haar gedachten er niet helemaal bij. Te druk op het werk, te veel aan haar kop met de naderende onderhandelingen over de energieprijzen. De altijd drukke Donkers. Aan de andere kant was dat allemaal niet de eerste keer en alle voorgaande jaren had er allang een uitgewerkt plan op tafel gelegen. Zou Lina iets vermoeden? Zou Claris haar verteld hebben van hun gesprek? Zat zij te wachten op een initiatief van hem? Een paar keer had Arno wat waarderende opmerkingen gemaakt over vakanties in het verleden en Lina was daar enthousiast in mee gegaan, maar voor de rest had zij geen krimp gegeven. En hij ook niet.
Het ongewisse, dat als een veelbelovende parfum boven de aankomende vakantie hing, beviel hem wel.

Eind augustus, de meeste werkdrukte was voor Arno en Lina voorbij. Tegen Donkers had Lina gezegd dat het zoals gewoonlijk de laatste drie weken van september zou worden. Daar was zijzelf allerminst zeker van. Niet weten waar de stroom op uit komt waarop je moet mee varen, was voor haar een ongewone uitdaging. Tegenover Arno had zij daar niets van laten merken. Ze kreeg het er warm van, maar dat kon ook van de overgang komen. Het ergste wat zou kunnen gebeuren was dat zij nergens naar toe zouden gaan. Wel vakantie, maar niet weg. Hoe erg Is dat? vroeg Lina zich af en met het antwoord verdween ook de mogelijke opvlieger.

Arno was druk geweest en voelde de spanning stijgen. Hij had zich al een beeld gevormd van dat geweldige moment dat hij zorgvuldig had voorbereid. Hij had Claris in vertrouwen genomen en die zou voor een soepel verloop zorgen. Het moest volstrekt uit de lucht komen vallen. Zogenaamd geen plan, zogenaamd geen doel, zogenaamd niets.

‘Lieve Lina,’ zei Arno op maandagmorgen na het ontbijt, ‘wat zou je ervan zeggen om de boel te boel te laten en met mij op vakantie te gaan?
Lina keek Arno verrast en tot het diepste verliefd aan. Opgelucht en blij volgde zij Arno naar buiten en de frisse lucht rook naar vakantie.
‘Heb je alles?’ vroeg zij voor zij de deur dicht trok.
‘Ik hoop het,’ zei Arno en liet Lina in een speelse onzekerheid.
‘Paspoorten?’ probeerde Lina nog, want zij kon het niet laten. Arno moest lachen en hield het portier galant voor Lina open.
Zij stapte in de auto en Arno achter het stuur.
‘Wat mag ik intypen, schat,’ vroeg Lina.
Arno gaf haar een zoen en zei: ’tot aan Strasbourg is het zeker, daarna niet meer’ en reed weg van huis.

Spullen

Ongelooflijk hoeveel rotzooi je in 20 jaar naar je hol sleept. Het is de hoogste tijd om de vrouw en mijzelf bij de haren te vatten en naar de volgende woning te slepen. Eindspullenelijk zal er dan opgeruimd worden. Kelder, zolder, kasten en laadjes, bergruimten, achter en voor de knieschotten, kisten en dozen, overal blijken wij zogenaamde ‘spullen’ te hebben. Handige spullen, maar ook -en veel- vergeten spullen. Spullen die nog weleens van pas kunnen komen en spullen die absoluut niet weg mogen.
Als teken van welwillendheid jegens elkaar spreken wij net zo over opruimen als over fitness en minder suiker gebruiken. Of over minder vlees en vroeger naar bed met minder alcohol. Mooie praatjes, maar er komt niets van terecht. Het heeft onze aandacht, maar aangepakt wordt het niet. Al heel lang kan het zo niet langer.
Maar bij een verhuizing is opruimen onvermijdelijk. Het moet gewoon van ons:
‘We kunnen toch al die rotzooi niet steeds met ons mee slepen?’
‘Ho eventjes, jouw rotzooi, hè. Ik heb geen rotzooi.’
‘Goed mijn rotzooi en jouw spullen, maar weg moeten ze.’
Even onvermijdelijk als de opruiming zelf is de ruzie eromheen. De aanklager en advocaat in mijn hoofd vecht met evenveel recht als het juridisch duo in het hoofd van mijn vrouw. Zij argumenteren tegen en doorelkaar en de gevoeligheden worden niet gespaard.
‘Dat kastje is nog van mijn vader geweest.’
‘Alsof je altijd blij bent met wat je van je vader hebt gekregen.’
Zorgvuldig wordt van elke genomineerde kavel nut en waarde in verleden en toekomst bepaald. Argumenten om weg te gooien of te houden worden even makkelijk bedacht als ter zijde geschoven. Het is allemaal niet zo sterk wat we zeggen, maar stijfkoppen zijn we wel.
Uiteindelijk moet een rechter vonnis wijzen, maar die zetelt ook al in onszelf. Zijn of haar aanwezigheid en uitspraken worden regelmatig gewraakt of belachelijk gemaakt.
‘Zullen we die zogenaamde literaire thrillers, dan allemaal wegdoen?’
‘Zeker, samen met alle kookboeken. Dat ruimt lekker op.’
‘Als we alles weg doen waar jij geen verstand van hebt, word jij nooit wat wijzer.’
Het is een mooie vertoning zo’n opruiming. Het is een grimmig gevecht om de vrije ruimte. Het is geen wonder dat wij door de spullen achter deuren en deksels op te slaan, de opruiming hebben willen vermijden.
De makkelijkste spullen zijn die van onze dochter. Zij zijn achter gelaten in de verwachting bij ons een eeuwig leven te hebben. Maar nu worden zij zonder pardon uitgewezen. Niet om wat zij zijn, maar om van wie zij zijn. Af en toe wordt betwist of het spul van haar is of toch van ons. De rechter doet altijd uitspraak in het voordeel van de jeugd.
Nee, dan alle troep die van ons is. Wat heet van ons: we hebben het samen aangeschaft of ooit is het een inbreng in de prille boedel geweest. Maakt allemaal uit. Het is niet uit hebberigheid dat wij zeggenschap opeisen. Het is de emotionele binding die aan zoveel spullen kleeft en elk rationeel motief overrulet.
‘Ja, dat gaat echt niet weg.’
‘Maar je hebt er al meer dan een jaar niet naar omgekeken.’
‘Nou en?’
‘Als ik het niet gezegd had, dan had je het niet eens gemist.’
‘Waag het niet om het weg te gooien.’
Zo gaat het maar door: waar ik van roep ‘weg ermee’, noemt mijn vrouw onmisbaar; en waar zij van zegt ‘kringloop’, hang ik het label ‘marktplaats’ om. Mijn bindingsvermogen lijkt nergens op, terwijl mijn vrouw nog niet kan scheiden van een Spaanse zwervershond.
De rechtszaak begint zijn tol te heffen. Vermoeidheid bezoekt de verdediging en de rechter neemt het steeds minder nauw. Er is genoeg aan mijn nieren geproefd en het moment zit er aan te komen dat ik het allemaal wel best vind. Nog even vlammen de verwijten op:
‘Jij denkt zeker dat we drie verhuiswagens ingehuurd hebben. Het is er maar één en de rest mag je zelf met de kruiwagen doen.’
‘Waarom mag ik dat zelf niet beslissen? Waarom heb je er überhaupt een mening over.’
‘Soms praat je alsof je mij ook zo makkelijk weg zou doen.’
‘Weet je, je zoekt het maar lekker uit. Ik bemoei mij er niet meer mee. Ik heb hier helemaal geen zin in. Lekker opruimen.’

vollebakWe hebben nu even pauze, want ik ben weggelopen.
Buiten staan vier vuilniszakken, een tafel met drie poten, drie afgeladen bananendozen en een overvolle aangestampte kliko bak.

Boterham met zorg

De fiets van Brent stond buiten aan de ketting na te druppen van een hele nacht miezerregen. Hij legde zijn rugtas op de bagagedrager, klapte de snelbinder erop en haakte de plastic tas achter de fietsbel aan het stuur. Met de mouw van zijn jas droogde hij het zadel, waarvan het stiksel vervelend vochtig bleef. Brent maakte de ketting los, bracht de fiets naar de weg, zette zijn rechter voet op de trapper en stepte met zijn linker voet achterlangs, totdat hij snelheid had. Toen zwaaide hij met kracht en allure zijn linker been over de bagagedrager, zweefde een paar centimeter in de lucht en plofte op het zadel. Had hij gezien van zijn vader.
Brent vroeg zich af of hij niet te veel op zijn vader leek: de vluchtige zoen waarmee hij zwijgend het huis verliet; zijn brood aan het stuur; op weg naar zijn werk, thuis de boel, de boel latend. Misschien had hij zijn moeder duidelijker moeten laten merken dat hij aan haar kant stond? Misschien had hij haar even stevig moeten vastpakken voor hij wegging? Niet zo achteloos en zwijgzaam.
Brent wilde op zijn vader lijken en bij zijn moeder zijn. Maar zij hadden ruzie, zoals zo vaak.
Met zijn knie stootte hij tegen de tas aan het stuur. Hij draaide zijn knie nog verder naar buiten. Zijn vader zou nooit zo rijden: “Rotzooi aan het stuur is altijd gevaarlijk.”
Maar hij had makkelijk praten. Hij had een mooie grote fietstas en hoefde nooit boodschappen te doen en al helemaal geen brood nabrengen. “Niets dan handen aan het stuur en goed uitkijken,” zo hoorde het, maar niet voor iedereen.
Licht over zijn stuur gebogen fietste Brent verder. De geur van stad en regen hing nog in de straten. De wielrenner in Brent nam risico’s in de vochtige bochten, reed door rood en fiets2ging op de pedalen staan. De tas aan zijn stuur was stom. Het leek nog niet op een wielrenner.
Brent zette zijn fiets tegen het hekwerk van het gebouw waar zijn vader werkte. Een grote grijze muur met allemaal dezelfde vierkante ramen. Waarom zou hij daar willen werken? Voor alle zekerheid zette hij zijn fiets op slot. Je weet nooit met dat soort gebouwen. Zijn rugzak liet hij onder de snelbinder zitten, daar zaten schoolboeken in, niets van waarde. Met het plastic tasje in zijn hand liep hij de paar treden van de betonnen trap op.
In de hoek van de grote hal zat de portier achter een glazen wand met een rond venstertje om in te praten. De man las zijn krant en hield ondertussen de aan en uit knipperende lichtjes op zijn balie in de gaten. Soms drukte hij op een toets omdat dat moest. Zo’n baan leek Brent wel wat. Hij wachtte geduldig op aandacht.
‘Zeg het eens kerel’ zei de portier terwijl hij één zijde van zijn krant naar binnen sloeg zodat hij precies langs de halve krant Brent aan kon spreken.
‘Mijn vader heeft zijn brood vergeten, meneer’
De krant werd in elkaar gefrommeld en in één beweging bracht de portier zijn leesbril van zijn neus weg, naar het borstzakje van zijn uniformcolbert.
‘En wie is je vader dan wel?’
‘Meneer Belser, mijnheer,’ zei Brent zeer beleefd, want zo niet, dan zou zijn vader dat zeker van de portier te horen krijgen; zo zag de man er wel uit.
‘En wat moet jij van meneer Belser?’
‘Ik heb zijn boterhammen mee genomen mijnheer,’ en ter bevestiging hield hij de plastic zak omhoog.
‘Ha, nu zie ik het. Je bent er inderdaad een van Belser. Het is je grote mond die je verraad. Wacht maar, dan zal ik die vader van jou eens bellen.’
De schrik sloeg Brent om het hart. Wat een toon, zeg. Zou hij de portier moeten vragen het wat rustiger aan te doen? Hij wist zeker niet dat zijn vader kwaad was en dan hoefde je niet met grappen aan te komen. Direct komt hij naar beneden en wat moet ik dan zeggen?
Vergenoegd en glimmend van humoristische voornemens hield de portier de hoorn aan zijn oor. Het duurde even.
‘Ja hallo met Leusdijk, is Belser al boven? ……Geef hem eens even.’
Met zijn hand de hoorn afdekkend vroeg hij aan Brent of hij hem zelf nog wilde spreken. Verrast door die mogelijkheid schudde Brent zijn rood aangelopen hoofd en zei: ‘ Dat is niet…’
‘Mogge Belser, heb je de slaap uit kerel?……………………zeker weten?…………….niets vergeten?………Nee, ha,ha, dat bedoel ik niet……neen, jij hebt moeders zorg thuis laten liggen, gesmeerd en al,………ja, je zoon staat hier beneden met je boterhammen……….oh, ik dacht even dat je misschien een afspraakje had om uit eten te gaan tussen de middag………..nou je hoeft niet zo aangebrand te doen, dat jong is speciaal voor jou nog langs komen fietsen………natuurlijk, dat gaan we doen en goed je best doen vandaag hè.’
Leusdijk legde de hoorn neer, drukte op een knopje en keek Brent – die het er warm van had gekregen- triomfantelijk aan.
‘Die vader van jou heeft zijn beste been zeker nog in bed liggen, hè?’
‘Ja, mijnheer,’ hield Brent zijn beleefdheid vol. Hij was ontsteld, zo sprak je niet tegen zijn vader. En ook niet over hem. Was de portier dapper of stom?
‘Geef maar hier die broodjes’ en Leusdijk stak zijn hand door het spreekgat, bedacht zich, trok zijn hand terug, stond moeizaam op en waggelde zijn loge uit.
‘Zo, dat gaat wat makkelijker,’ mompelde hij tevreden over zijn initiatief.
Brent overhandigde hem de plastic zak met boterhammen. Boterhammen gesmeerd met zorg en angst. Hij vond het niet erg om ze af te geven.
‘Die komt hij vast wel halen en tot kijk maar weer, kerel, bedankt namens je vader.’
De portier stapte zijn hok weer in en plofte in zijn draaistoel. Hij pakte zijn krant en sloeg de kreukels eruit, pakte zijn bril en las verder. Zonder op te kijken stak hij nog even zijn hand op.
Opgelucht zei Brent: ‘dag mijnheer,’ liep de hal uit naar zijn fiets, naar school. Het hachelijke karweitje was gedaan, hij kon weer verder.