Het post-vakantieverhaal

Die eerste dagen na de vakantie: daar zie ik altijd erg tegenop. Niet tegen het binnenshuis moeten leven, want meestal heb ik het na vier weken vakantie wel gehad met dat zonnige buitenverblijf. De zon is een opdringerig typje geworden en daar hou ik niet van. Ik ben allang blij als mijn schone overhemd de dag weer zonder zweetplekken doorkomt. Ik verlang alweer een beetje naar een sweater of sportieve hoody om mij heen. Nee, het zijn niet de temperatuurverschillen die mij ongerust maken.

Wat ik vrees is de stroom vakantieverhalen. Of het nu op straat is of op het werk, bij de supermarkt of de sportschool, iedereen wil zijn wonderlijke en unieke vakantieavonturen vertellen. Alsof het een therapeutische verwerking is van een zware periode in het leven.
Ik kan het nu al uittekenen:
Ik kom de werkruimte binnen, vol positieve energie groet iedereen en direct begint het spel van vraag en antwoord: ‘Goede vakantie gehad?’, ‘Genoten?’, ‘Waar zijn jullie geweest?’, ‘Was het bij jullie ook zo warm?’
Op straat: ‘Hé, buurman ook weer terug?’ Op de sportschool: ‘En nu het er allemaal weer af zien te krijgen hè?’ In de supermarkt: ‘Wat zie je er goed uit, waar heb je dat vandaan?’
Met een eenvoudig ‘Ja, prima’, ‘heerlijk’ of ‘het was lekker rustig’ kom ik niet weg. Soms laat ik het bij een kort informatief antwoord, maar omdat ik graag belangstellend wil overkomen speel ik de bal terug met: ‘en jij?’ Dat is natuurlijk de vertelgoden verzoeken. De popelende vertellers hebben geen uitnodiging nodig: ‘Leuke vakantie gehad? Ach, wij hebben wel zoveel pech gehad, dat was niet normaal. Eerst met de auto in Duitsland en toen we in Kroatië aankwamen bleek ons hotel vol te zitten. Dus wij naar de groeten van Max bellen en toen kregen we meteen Sybrand aan de lijn, je weet wel die man die ook huizen voor je zoekt in Spanje, maakt niet uit, hij vroeg wat er aan de hand was en dat hebben wij dus verteld namelijk…. etc.’

Zonder pardon worden alle details, met alle belangrijke zijwegen, in geuren en kleuren beschreven. Misschien ontbreekt het velen aan verteltalent, misschien kunnen velen slechts de exacte gebeurtenissen vertellen. Na drie minuten hebben zij mij echt verloren. Het doet mij denken aan de door mijn vader zorgvuldig ingeraamde en becommentarieerde diaseries van de familievakanties. Ik denk dat toen mijn angst voor het vakantierelaas is ontstaan.

Als we nu eens afspreken dat we al die vakantieverhalen gewoon verzinnen. We geloven die ‘echt heerlijke vakantie in Frankrijk’ wel. Leve de spetterende orgie op de vakantie in Oude Pekela, de roofoverval met nagenoeg dodelijke afloop die we meemaakten in de Dordogne, of de gruwelijke overnachtingen in een bergspelonk ter hoogte van Marbella waar we overigens eerst een ongelikte beer uit moesten verjagen. Ik zou er goed mee kunnen leven om uitsluitend verzonnen vakantieverslagen aan te horen en te vertellen. Het zou mijn post-vakantievrees sterk verminderen.

‘Ache’

P1030440Mijn bestelauto staat geparkeerd op een rommelig bureaublad met boeken en boekjes, met pennen en potloden, naast een al even oud militair voertuig. Achter de bestelauto staat een computer, van waaruit de schilders het tableau bekijken. Een printer staat te wachten op opdrachten. Woordenboeken en schrijfwijzers rijden af en aan, terwijl Komrij’s Canon te rusten lijkt te liggen op een schapje. Een eenvoudig muismatje duwt vier velletjes A4 ter zijde.

Van de zomer, kort geleden, waren wij bij Irma, Henk en Jean te gast te zijn. Op hun prachtige boerderij La Lue in de Auvergne. Daar hebben zich alle herinneringen en genoegens van Frankrijk verzameld: een reis over wapperende linten weg, mooie natuur, goede wijn, heerlijke maaltijden, prettig gezelschap en sterke verhalen. Onverwachts waren daar ook nog brommende Solexjes, honderden oude olieblikken en tientallen zeer bejaarde Citroëns, Peugeots en Renaults bijeen. Een conservatoir van nostalgie.
Op de brocante in Agonges kocht ik een Citroën H.

Zo nu en dan pak ik hem met duim en wijsvinger aan zijn dakje vast en schuif hem voor en achteruit. Een heel klein stukje maar, om te kijken of hij nog rijden kan. Als ik een stilte heb of mijn gedachten stokken, dan schijf ik de zijdeur open en start mijn ‘patatwagen’. ‘Brummm, brummm’, wat loopt dat motortje nog prima. Scherp naar links de bocht om, waarna mijn linkerhand het overneemt en de bocht naar rechts verzorgt.
Met de matrassen achterin en de deurtjes open kan ik heerlijk slapen. Jongensdromen en jeugdherinneringen overschrijden ruimschoots het maximum laadvermogen. Uit de laadbak komt een warme lavendelgeur en de korenvelden wuiven in het voorbij gaan. Tijdpijn.
De kleine jongen speelt weer met zijn autootje. Zorgeloze energie.

Binnenkort vertrekken wij voor langere tijd, want de herinneringen komen steeds dichterbij. Nog even en ik heb ze weer.

Temporaalkwab uitzetten a.u.b.

Het begon allemaal heel onschuldig. Aan de deur van het proefwerklokaal werden de schooltassen gecontroleerd.

‘Open maken,’ was het verzoek. En als er niets gevonden werd: ‘Schiet maar op.”

handspiekenDat was nog bij een minder dan minimaal dreigingsniveau van bedrog. Twee jaar later lag dat al anders. Broeder Laurentius (conrector) haalde het in zijn hoofd om onze handpalmen te laten controleren op inktsporen. De door angstzweet verlopen aantekeningen waren zeer strafbaar. “Stigmata van de zonde” noemde Lau ze. Onbegrepen vonden wij dat best.

De koude oorlog tussen rechtschapen broeders en opstandige leerlingen werd met strengere controles opgevoerd. Verboden materialen waren de deelbare balpen vol met formulebriefjes, boterhammen met kladpapiertjes ertussen en zeker etuis met verborgen vakjes. Als voorbehoedsmiddelen waarvan het gebruik sowieso niet werd gestimuleerd, werden de rekenlinialen verboden. De rekenmachientjes uit Texas (wie had ze niet) waren, net als masturberen, slecht voor onze hersens. Alle elektronica leidde in de kinderhand tot luiheid en onwetendheid, aldus de broeders van het arme kindje Jezus.

Vanaf die tijd (zestigerjaren) is veel veranderd en de techniek heeft niet stil gestaan. Nog steeds loopt het onderwijs hijgend achter de techniek aan. Het meest recente verboden appeltje aan de kennisboom is de ‘smartwatch’. Een horloge dat de eigenaar meer dan tijd biedt. Via je mobieltje kun je er berichten en aantekeningen op ontvangen. Geen last van inkt meer op je handpalmen, geen rondspringende veertjes meer bij de demontage van balpennen, gewoon even kijken hoe laat het is. Wie maakt je wat?

De directie van het onderwijscircus reageert vertrouwd: het hekwerk om de piste wordt verstevigd en de regels verscherpt. Er komt geen horloge meer in of uit. Om elke valse argumentatie op voorhand een onvoldoende te geven, worden in het hele circus wandklokken opgehangen. Erg bij de tijd is het echter niet.

De strijd tegen de voortschrijdende techniek is hopeloos. Verbieden kun je niet en de varianten op de smartwatch komen in volle vaart op ons af. Google Glass is erg populair aan het worden en is qua design nog nauwelijks te onderscheiden van een traditionele monofunctionele bril. Minuscule contactlenzen leveren de dragers alle informatie die zij willen, wanneer zij willen en ook nog over meer dan de werkelijkheid alleen. De vergevorderde nano-techniek maakt het mogelijk om steeds grotere hoeveelheden kennis en ervaringen op te slaan, te reproduceren en te manipuleren.

En wat doet de directie van het onderwijscircus? Zij zijn ingegaan op een aantrekkelijk offerte van Eyewish. In de tentamen lokalen mogen slechts door de school verstrekte brillen gedragen worden. Zie je het voor je?

Het gaat er natuurlijk van komen dat onze hersencellen on line worden gevoed met kennis uit externe informatiedragers. Na de vraag gesteld te hebben, zijn alle mogelijke antwoorden voor handen. Alleen nog even zoeken? Niks zoeken, intypen. Over vijftig jaar putten wij allemaal uit een bijna oneindige hoeveelheid data, doen iets met die kennis en klaar is Kees. Je gaat dat toch allemaal niet meer in je hoofd stampen.

Kennis kunnen vergaren, opslaan en verwerken is altijd een belangrijke opdracht van het onderwijs geweest. Dat vergaren en opslaan verdwijnt natuurlijk uit het pakket.

Het lange termijn geheugen wordt boventallig als het om pure kennis gaat. Alleen nieuwe, eerste hands kennis moet nog opgeslagen en verspreid worden, maar dat is een geheel geautomatiseerd elektronisch proces.

De directie zal dan toch niet gaan zeggen dat we onze temporaalkwab maar moeten uitzetten bij het betreden van het tentamenlokaal?

Bedenk dat 60 tot 80% (afhankelijk van het onderwijsniveau) van de examen- en tentamenvragen beantwoord kan worden door het reproduceren van kennis en je weet waarom dat smart horloge zo aantrekkelijk is. En je weet ook dat het onderwijs en het toetsen van onderwijs niet meer gericht zou moeten zijn op kennis toetsen. Niet meer ‘uit het hoofd leren’, ‘nooit meer kennis instampen’, maar meer leren analyseren, denken, redeneren, debatteren, kiezen, creatieve vermogens ontwikkelen, etc.

We moeten voor de wijsheid gaan. Daar ligt de schaarste en de hele wereld schreeuwt dat uit.

Laat die studenten toch lekker gebruik maken van al die kennisdragers. Laat hen dat wijs doen. We moeten de klokken vooruit zetten en niet alleen maar overal ophangen.

Allemaal communicatie

Sinds mensenheugenis gaan wij met elkaar om. Wij zijn voortdurend met elkaar bezig. Als we iets willen van elkaar, dan weten we de ander wel te vinden. Praten, roepen, luisteren, fluiten, vragen, smeken, schreeuwen, aan elkaar frutselen en gekke bekken trekken, kortom we gedragen ons. Behoorlijk of niet.

Ik weet niet precies wanneer, maar op een gegeven moment kreeg de wetenschap er weet van en vatte al onze omgang samen in de term ‘communicatie’. Hoog gekwalificeerde communicatiespecialisten lieten zich, in becommentariërende, adviserende en dicterende zin uit, over ons onderlinge doen en laten. Zij kwamen er achter dat eigenlijk alles communicatie is, dat daar heel veel in fout gaat en dat zij ons met alles konden helpen. Daarmee stelden zij hun toekomst veilig.

Een goede communicatie kan veel narigheid voorkomen. Niet alles echter wat fout gaat had met een goede communicatie voorkomen kunnen worden. Was communicatie tot voor kort de panacee voor alle problemen, het lijkt nu wel of het de oorzaak is van alle problemen.

ik nietHebben de banken hun klanten besodemieterd en breekt de pleuris uit, dan komt dat door een onjuiste communicatie. Is de minister veel te ver gegaan of juist niet ver genoeg, dan had de aanpak beter gecommuniceerd moeten worden. Loopt de Fyra hogesnelheidstrein net zo uit de rails als de Noord-Zuid verbinding, dan heeft het gemankeerd aan een effectieve communicatie. Valt het asielzoekerscentrum verkeerd bij de buurtbewoners, dan is sprake van een gebrekkige communicatie. Is er binnen een organisatie sprake van wantrouwen en achterklap, dan komt dat door een slechte interne communicatie. Een volstrekt uit de hand gelopen festiviteit, is het gevolg van een te kort schietende communicatie. En een vechtscheiding wordt veroorzaakt door een respectloze communicatie.

Aan me hoela, ze kunnen de pot op. Iedereen denkt weg te komen door fouten en nalatigheden onder de post falende communicatie weg te boeken. Stel je voor: ik heb mijn vrouw een oplawaai gegeven en tegen de politieman die mij oppakt zeg ik ‘ja, het was een zeer gebrekkige communicatie’. “Oh,” zegt die politieman, “dan begrijp ik het wel” en laat mij onmiddellijk los met het verzoek iets aan onze communicatie te doen.

Zou u dat een adequaat optreden vinden?

Ga toch weg. Oppakken en tuchtigen, al was ik het zelf.

Kunnen die communicatiespecialisten hun discipline niet beschermen tegen misbruikers? Tegen liegers en bedriegers, tegen managers en politici, tegen mensen die er gewoon met de pet naar gegooid hebben en dat niet willen toegeven.

Niks geen communicatiefouten; ik kan het niet meer horen, wil er niet meer naar luisteren, laat staan over praten. Op der falie motten ze hebben en dan weer hard aan het werk.

Top tien

top10Ik heb mij zelf (voor de zoveelste keer) betrapt op een minder fijn karaktertrekje. Omdat ik leef in een wereld die vervuld is van hetzelfde euvel valt het gelukkig niet zo op. Toch, om het niet erger te laten worden, stel ik het hier aan de orde:

Ik denk dat ik een topper ben.

Ik rij in een topoccasion op super benzine naar een toplocatie, waar ik aan een topopleiding mijn (let op één es!) toples geef.

Als ik vrij ben ga ik met mijn toppertje, naar een topattractie, of naar een topsportwedstrijd of topcompetitie van het een of ander. Een concert van de toppers is voor ons niet weggelegd, maar kijken naar een topcollectie in een van onze topmusea is heel normaal. Kan ik zo gauw niets vinden, dan pak ik mijn laptop en zoek op de topsites naar topevents en topuitjes. Is er niets van onze gading bij, dan kunnen we nog altijd naar een toprestaurant, waar de topkok een sterren topmenu met een award-winning topwijn serveert. Dat is weer eens wat anders dan de topaanbieding van super de Boer.

Ook bij ziekte of ongemak staat niets dan top ons ten dienste. Ik ben verzekerd van een topzorgverzekering en kan daardoor naar een top medisch centrum waar ik uiteraard een topbehandeling van een topdokter krijg.  Bij kleine kwalen kan ik terecht bij mijn topdrogist. Voor een totale visie op mijzelf kan ik naar een top therapeutisch centrum.

Op de zondagochtend komen we met enige moeite van onze matras-topper en genieten van een topontbijt met de beste broodjes van de topbakkers. Mijn eigen topvrouw verzorgt deze topservice slechts bij topgelegenheden. En bij hoge uitzondering.

Enfin, ik ben door al dat topgeneuzel al mijn bescheidenheid verloren. Ik denk dat ik in een topperiode in een topwereld leef. Ik ben gaan geloven dat ik omringd word door medemensen, die niets anders doen dan ‘toppietoppie’ nastreven. Als ik mag leven in zo’n wereld dan kan het niet anders of ik moet ook een topper zijn. Of… ik zou het in ieder geval moeten zijn. Zegt u maar dat het niet zo is.

Vroeger was ik tevreden met mijzelf, tevreden met de eenvoud, tevreden met de slager die vroeg of het een onsje minder mocht zijn. Ik had geen andere ambitie dan het leven aangenaam te maken en in die bescheidenheid lag ook de tevredenheid met mijzelf en de ander.

Kom daar nog maar eens om. Het moet allemaal meer en beter en vanaf mijn top roep ik dat iedereen maar naar boven moet komen. Waar is de tijd dat het eenzaam aan de top was?

Vakantie

Niets doen.

Net achter Wimbledon lag mijn vakantie. De Tour caravan stond op het punt Utrecht de rug toe te keren om als een hunkerende minnaar op Neeltje Jans af te vliegen. Koersend om het met kastelen bezette Franse landschap te veroveren. Tientallen afgetrainde wielercracks gingen zich de aankomende weken het snot voor de ogen fietsen en ik zou hen volgen in een euforie van zalig niets doen.

Ik zie u glimlachen. U weet wel beter.
Na vier dagen aanrommelen en etappes kijken begonnen de wachtende karweitjes ongeduldig om aandacht te vragen. Door naar mijn drukke werkzaamheden te verwijzen had ik ze verre van mij weten te houden, maar daar trapten zij niet meer in. Waar ik ook was, in huis, op zolder, in de tuin overal zag ik de klusjes opduiken. Afgebladderde verf, opgestapelde rotzooi, stof en zevenblad, aan alles moest nodig iets gedaan worden. Het was als een gruwelijk grote neus op een mensengezicht: ik moest er steeds naar kijken, of ik nu wilde of niet.
Ook mijn omgeving herinnerde mij tijdens de vakantie voortdurend aan de vreugde van de arbeid. Snerpende schuurmachientjes en agressieve zaagbladen. Overijverige maaimachines en heggenscharen. Wolken van verbouwingsstof en ruige ritmes van timmergeluiden. Ik zwijg over de geuren van verf en terpentine.

In de vakantie zitten de karweitjes in een klein hoekje, maar vooral tussen mijn oren. Triomfantelijk lachen ze mij toe, want zij weten dat ik altijd aan het kortste eind trek. Vroeg of laat ben ik ze aan het doen. AfbeeldingMet of zonder tegenzin het maakt ze helemaal niets uit, als het maar gebeurt. Tot overmaat van ramp hebben zij ook nog een heimelijk verbond met mijn vrouw gesloten. Zij spannen samen om mij mijn doe-het-zelf verplichtingen onder de neus te wrijven. En het lukt ze, elke vakantie weer.

Echt vakantie, echt ‘vrij van werken’ zou niets anders moeten zijn dan je vervelen. Niets om handen hebben. De dag ligt open, zonder enige opzet of verplichting, niets is gepland en geen richting is bekend.
De aankomende vakanties ga ik mij daarin oefenen. Dat gaat nog een hele tour worden.

Gunnen

Koop je?

In Haarlem was vroeger een ‘doe het zelf ‘ winkeltje. Het bestond al sinds mensenheugenis. Het zaakje werd gerund door een echtpaar, de man 73 en de vrouw niet veel minder. Overal artikelen. Van handzame bijl tot spijkers per stuk. Oom Aart ging elke week naar dat winkeltje om er een kleinigheid te kopen. Niet dat hij wat nodig had, maar de oudjes wel, vond oom Aart. Een volslagen maffe gewoonte natuurlijk. Pure verspilling .

Wij kopen niet uit mededogen. We geven wel weg. Het is niet zo dat we gierig zijn, maar kopen doen we uitsluitend voor onszelf. Kleine zaakjes mijden we, uitventers zijn oplichters en voor straathandel moet je ontzettend oppassen. Een gift is voor ons beter te verdragen, dan een koop die nergens op slaat. Wanneer kocht u een stukje kant of een haarlotionnetje? Niet uit noodzaak, maar om de zaak nog even aan te houden. Wanneer kocht u iets omdat u het de verkoper gunde?

koop jeJa, waarschijnlijk op vakantie: een leren riem of een gekleurde doek, een nootje of een ‘fris’ stukje meloen van een in zweet badende Afrikaan. Geen horloges, hoor.
Is het heel erg de man het idee te geven dat hij de kost aan het verdienen is?
Is het een idee uw mededogen ongegeneerd de vrije loop te laten, de hoon van anderen op u te laden, uw verstandig aankoopbeleid te laten stranden en te kopen bij een zaakje of een ventje of een vrouwtje dat het nodig heeft?