WEG

Tachtig verhuisdozen en 40 kuub spullen verder en 3 aanhangwagens troep lichter stonden Jac en Anja in hun ontzielde woonkamer. Alles was verdwenen, niets dan ruimte was achtergebleven. Waarderend keken zij in het rond alsof zij op de open-dag van hun eigen huis waren beland. Ware het niet dat zij de eigenaars al waren, dan hadden zij zeker overwogen het pand te kopen, want door de leegte heen bleef het toch een heerlijk huis.

DSC_2523

De afgelopen vier weken waren zij bezig geweest met uitruimen, sorteren, inpakken en wegbrengen van alle spullen die zij de afgelopen 22 jaar naar hun riante hol hadden gesleept. Het meest verrassend kwamen de ruimtes voor de dag achter de knieschotten. Zij werden bevolkt door spul dat ooit het label ‘zet maar achter het schot’ had gekregen en daarna in de steek was gelaten. Het waren de weeskinderen van de gedachte dat het altijd nog van pas kan komen. Jac bewaarde alle snoeren, kabels en elektriciteitsdraden. Vele meters waren wit of op z’n hoogst in gebroken wit achter het schot terecht gekomen en kwamen nu vergeeld en verhard tevoorschijn. Als Jac een stuk draad nodig had, dan haalde hij een paar meter ‘schoon snoer’ zoals hij het noemde. Het eventuele restant rolde hij op, bond het netjes samen met één van de binders van de boterhammenzakjes en legde het achter het schot. “Heeft niemand last van,” zei hij als Anja bezwaren maakte tegen zijn bewaarzucht.

Anja op haar beurt had door de jaren heen haar quiltlapjes gesorteerd op kleur, op grootte, op textuur, op patroon, op land of cultuur (Staphorst of Marken: een wereld van verschil), op leeftijd, op geloof en feestdag, kortom op alles wat een analogie kon zijn. Het was al mooi dat al die duizenden stofjes in een van die tientallen plastic boxen zaten. Dat het label niet meer overeenkwam met de inhoud van de boxen, deerde Anja niet zo. Zij beweerde precies te weten wat zij aan lapjes in huis had en dus ook wat zij nog niet had. Doordat Jac dat niet kon geloven, noch tegenspreken groeide de hoeveelheid stoffen als de voorraad van een boekenwinkel.

Ook het verleden bleek zich schuil te houden achter de knieschotten. Boekjes, brieven, foto’s, platen, cd’s, dvd’s en zelfs bandjes. Spellen, poppen, instrumenten, onderwater gedoe, fitness spul, kampeergerei, een echte buizenversterker en nog prima Dual apparatuur, om maar te zwijgen van de welluidende Pioneer boxen. Het lag allemaal in een warme omhelzing van dekens, dekbedden, muggennetten en kussens die te hard of te zacht waren.

Onder het goed geïsoleerde pannendak konden de herinneringen nog jaren mee, maar de plannen van Anja en Jac verstoorden hun rust. Een voor een gingen de relikwieën door hun handen en werden bekeken, gelezen en beluisterd, gewogen en geselecteerd. Velen van hen redden het niet en werden afgevoerd, soms met spijt in het hoofd en pijn in het hart. Of toch maar bewaren? Echt zonde om weg te doen. Misschien heeft een ander er nog wat aan? Op marktplaats of naar de kringloopwinkel?

“Je wist niet eens meer dat we het nog hadden”, “We hebben het nooit echt gemist.” De wederzijdse pogingen om de ander te overtuigen van de waarde of de waardeloosheid was vaak doorzichtig en bedacht. Jac adviseerde Anja ‘los te laten’. En Anja vroeg steeds aan Jac of hij zich dat niet meer kon herinneren. Zij moesten alleen maar opruimen, maar het werd een worsteling met elkaar en zichzelf, met het verleden en de onzekere toekomst.

Een kwart van de spullen en wat er aan herinneringen aan vast zat bleek te dierbaar om te worden vernietigd. In koor riepen Anja en Jac dan: ‘niet gegund’ en dan moesten zij vreselijk lachen om hun overwinning op de vergankelijkheid. In enkele gevallen was pure liefde in het spel en dat was dan zo evident dat de een het voor de ander vanzelfsprekend vond dat dat bewaard moest worden. ‘En als we te weinig plaats in de box hebben, dan huren we er toch gewoon een boxje bij,’ kleineerde Anja met vertederende blijheid het dreigende ruimteprobleem.

Met dat en meer achter hun kiezen stonden zij daar in hun huis te wachten op de overdracht. Voor een heel jaar gingen zij de sleutels aan een ander geven. Toen zij hadden laten vallen dat zij hun huis wilden verhuren kregen zij de meest bizarre verhalen te horen: Van wietplantage tot porno-studio, van niet meer weg te branden huurders tot slopers en vandalen. DSC_2524Het viel niet mee om toch de plannen door te zetten en van het positieve uit te gaan. Gelukkig waren zij erin geslaagd om mensen te vinden aan wie zij graag wilden verhuren. Het wachten was op de makelaar en de nieuwe huurster.

Nog één keer maakten zij een ronde. Kijken of er niets vergeten was en niets was blijven liggen.

Jac en Anja waren klaar om te vertrekken. In de Achterhoek nog even uitrusten van de verhuizing en dan voor een jaar lang op reis. Eerst naar Arezzo in Italië en dan in januari naar Malaga, Zuid Spanje. Kijken hoe het leven daar is en hoe het daar leven is.

Drie dagen na het vertrek van Anja en Jac kwam het bericht over de aardbeving in Midden Italië. Halve steden en hele dorpen verwoest, honderden mensen dood en vele duizenden gewond en zonder woning.

Boommanagement

Waar ik woon staan heel veel bomen. Jong en oud, groot en klein. U mag het gek vinden, maar ik (en niet als enige in mijn buurt)spreek met bomen, net als Irene. Ik beeld mij in dat de bomen ook met mij praten. Ach, een aantal van deze gabbers ken ik al zo lang dat je best van een relatie mag spreken.

Vier woranjestipeken geleden zag ik dat drie bomen waren geblest met een rode stip op de stam. Dat wil in onze buurt zeggen dat onderzoek gaande is en dat in het uiterste geval de bomen gekapt kunnen worden.‘Kan dat zomaar,’ zei ik verbaasd en met lichte verontwaardiging tegen mijn buurman, ‘die bomen zijn nog hartstikke gezond?’ ‘Het schijnt in opdracht van het boommanagement te gebeuren,’ zei de buurman, ‘begrijpen doe ik het niet, maar het zal wel nodig zijn.’

Nog geen twee dagen later stonden hoge schuttingen om de drie bomen. Zij waren volkomen aan het zicht onttrokken en achter de schutting vermoedde ik, afgaande op allerlei zaag- en schaafgerucht, diepgaand ‘onderzoek’. De buurt was in rep en roer en menigeen sprak schande van de aanpak. Hoe haalden het boommanagement het in vredesnaam in hun hoofd om de bomen zo van ons te isoleren. Wat moet er wel niet aan de hand zijn om zo’n aanpak te rechtvaardigen?

Nog een dag later viel er een briefje in onze brievenbus. Het was het boommanagement opgevallen dat er nogal wat onrust in de wijk was ontstaan en zij wilde graag een toelichting geven.

Vele buurtbewoners waren aanwezig op de betreffende bijeenkomst en wat bleek; het boommanagement had klachten ontvangen over de bomen. Klachten die zo ernstig waren dat een onderzoek op zijn plaats leek.

‘Wat voor klachten zijn dat dan wel en van wie?’ riep iemand. En een ander: ‘Ik heb gehoord dat er in de bomen gekerfd en gezaagd is. Had dat niet wat minder gekund, met iets meer prudentie?’ ‘Die klachten moeten wel verdomd ernstig en nog waar zijn ook. De bomen moeten bijkans van binnen helemaal verrot zijn’, riep een derde, ‘en dat weiger ik te geloven.’

De gemoederen raakten behoorlijk verhit. Meer dan 30 jaar stonden die bomen al in onze buurt en met verve, aan hun karakter mankeerde niets. Zij hadden recht op enig krediet.

‘In het belang van het onderzoek, kan ik de aard van de klachten niet precies zeggen, maar het is wel ernstig. Ik begrijp jullie ongerustheid, maar neem maar van mij aan dat het meer is dan overmatig bladval’, zei de boommanager. ‘Er zijn tijdens het onderzoek onder andere slijmsporen gevonden van de ‘ritsige snoefrups’ en dat zegt genoeg. Stel je voor dat de hele wijk besmet raakt en dat de media daar achter komen. Wie wil er dan nog in die buurt van jullie komen? En wie krijgt dan schuld?’

‘Stel je voor dat er helemaal geen besmetting is,’ riep ik recalcitrant. Blijkbaar wilde het boommanagement ten koste van alles voorkomen dat hen verweten zou kunnen worden niets gedaan te hebben tegen het slijmspoor. Imagoschade moest voorkomen worden of op z’n minst beperkt. ‘Ter geruststelling: het onderzoek wordt uitgevoerd door het bureau ‘Zwabberaar en Vatenmaker’ en die worden alom erkend en geprezen. Zij hebben de expertise om de bomen zowel te onderzoeken, als te begeleiden. Wees gerust en heb vertrouwen,’ bezwoer het boommanagement.

‘Maar ondertussen worden de bomen wel al ernstig beschadigd?’ zei een buurtgenoot.‘In het belang van het onderzoek,’ repliceerde de boommanager, ‘en in het belang van de bomen zelf en daarmee ook in het belang van de hele buurt.’ Wat een gelul dacht ik: ze beschadigen de bomen en zeggen ook nog dat het voor hun en ons eigen bestwil is.

Veel concrete informatie hebben we verder niet gekregen. Wel veel begrip voor onze opwinding en verontwaardiging, én aansporingen toch vooral goede buurtgenoten en natuurliefhebbers te blijven. Het boommanagement zei zelfs blij verrast te zijn met zoveel betrokkenheid, aldus de woordvoerder.

De daaropvolgende weken groeide het onderzoek in omvang en diepte: Bij de bomen werden takken verwijderd, oude vogelnestjes werden weggehaald en in het lab onderzocht. Boomwortels werden met moderne onderzoeksapparatuur op foute sappen gecontroleerd. Stammen werden gecontroleerd op raszuiverheid en foutieve invloeden. Ook belendende bomen werden in het onderzoek betrokken. Niet meer door dat ene bekwame bureau, maar door meerdere en nog bekwamere bureaus. Van enige begeleiding van de bomen was natuurlijk geen sprake. Daarentegen was er wel een crisisteam geformeerd dat alle commotie moest kanaliseren. Op het buurthuis werd een meldpunt en een opvang voor verontruste bewoners ingericht. Regelmatig werden persberichten gepubliceerd.

Onze verontwaardiging groeide.

In een hopeloze poging de aanzwellende kritiek op het onderzoek te pareren , zei het boommanagement dat de verdachte bomen ook in het verleden meerdere malen een forse tak hadden laten vallen. Uit het onderzoek was gebleken dat één der bomen een behoorlijke scheefgroei had meegemaakt en een andere boom had met zijn ongebruikelijk grote wortelstelsel van het strakke asfalt een hobbelig zooitje gemaakt. Een derde boom had met zijn takken niet van een andere boom af kunnen blijven, waardoor die onvoldoende zou hebben kunnen groeien. Allemaal aanwijzingen dat er echt wel wat aan de hand was.

Aan het eind van een tweede buurtbijeenkomst stonden wij er een beetje beduusd en uit het veld geslagen bij. Gistend onbegrip over de gewelddadige en massieve aanpak , de aanhoudende onduidelijkheid over onderzoeksdoelen en onderzoeksbevindingen en een groeiende loyaliteitsproblematiek maakten van ons doorgaans verstandige en redelijke buurtbewoners, een gissend en analyserend stelletje opgewonden opstandelingen.

Ondertussen ging het onderzoek naar de verdachte bomen onverdroten verder. Veel buurtbewoners namen aan dat er wel degelijk sprake moest zijn van een ritsige snoefrups of op z’n minst een of andere gevaarlijke bacterie. ‘Anders zou het boommanagement toch niet zo uitpakken? Wat moet dat niet allemaal kosten? Dat doe je niet voor een relatief onschuldig kevertje. Neen, hier is iets heel ernstigs en bedreigends geconstateerd.’, zeiden mensen.

Een paar dagen geleden bestormden zeven stoere kerels met ladders en elektrische zagenredmij onze straat. In no time werden achter de schutting de drie bomen neergehaald. Onmiddellijk werden zij op grote vrachtwagens afgevoerd en slechts drie droevige lege plekken, diepgeworteld in meters dikke spijt, bleven over. De buurt was ontdaan. En niet alleen van bomen.

Nog dezelfde avond werd onze buurt door de boommanager verzameld in de grote zaal van het dorpshuis. Wij zouden geïnformeerd worden over de bomenkwestie, waarbij naast het boommanagement, zowel de onderzoekers als de voorzitter van het boomkwekersgilde aanwezig zou zijn.

Nu zouden wij het te weten komen, nu zouden we de achtergronden en motieven horen, nu zouden we eindelijk begrijpen. Wij waren vol verwachting met een nare smaak van wantrouwen op de achtergrond.

De voorzitter nam het woord en vertelde ons dat de bomen waren omgezaagd. Hij zei dat wij niets te vrezen hadden. Het onderzoek zou worden voortgezet om het geheel in kaart te brengen. Hij zei dat wij niets te vrezen hadden. Hij kon niets zeggen over de achtergronden van het brute vellen van de bomen, noch kon hij vertellen wat het geheel behelsde, maar wij moesten wel vertrouwen hebben. Hij kon helaas geen verdere uitleg of toelichting geven, vooral uit privacy overwegingen, maar hij drukte ons op het hart dat wij niets te vrezen hadden.

Hoe wij ook probeerden van links, van rechts, van boven of van onderen er bleek geen ingang naar informatie te zijn. De onderzoekers ontbraken opvallend, zonder dat daar enige verklaring over kwam. Ook dat kanaal bleek onbevaarbaar.

Om half elf zei de voorzitter van het boomkwekersgilde: ‘Het is helaas tijd, ik moet het hierbij laten.’

Tot op de dag van vandaag is het onrustig in ons dorp. De stemming is gelaten en opstandig, al naar gelang wie je treft. Veel dorpsgenoten bekijken de bomen in hun tuin met argusogen. Misschien is er iets te zien is van een rupsje, een insect of een bacterie. Bewoners uit andere dorpen komen in het weekend bij ons kijken en roepen: ‘pas op, kijk uit, een verschrikkelijke snoefrups vliegt hier rond’ en dan lachen zij smakelijk.

Er zijn berichten ddroeve boomat een comité van buurtbewoners een rechtszaak wil aanspannen om het boommanagement te dwingen de bomen terug te planten, maar dat is natuurlijk een hopeloze missie. Iedereen begrijpt dat je in stukken gehakte bomen niet terug kunt zetten. Maar ja, je wil toch wat doen.

 

 

Der Franz

Ter gelegenheid en onder het thema van de Boekenweek: Duitsland: Was ich noch zu sagen hätte” heb ik onderstaand verhaal geschreven.

bielef2Arnold had zich laten overhalen om zijn orakel mee te nemen naar de voorbeschouwing. Hij liep niet zo te koop met de wonderlijke capaciteiten van het beest, maar voor een geintje op de voetbalclub was hij wel in. Hij had de trotse Bielefelder drie jaar geleden op de Ornithophilia in Utrecht gekocht. Hij had hem Franz genoemd, dat kwam nu goed uit, omdat hij net zo liep als Beckenbauer: overdreven rechtop en vol poeha. Bij toeval had hij het talent van Franz ontdekt. Vóór de wedstrijd tegen Argentinië had hij met Jos in de tuin staan voorbeschouwen en zij hadden zich afgevraagd wat in godsnaam de uitslag zou worden. Ze kwamen er niet uit, er was geen peil op te trekken.
‘Laten we het Franz maar vragen,’ had Jos met een dolletje geopperd, ‘die kan het weten.’
‘Goed plan,’ zei Arnold, en rende als een Eindhovense stofzuiger achter de haan aan.
Toen hij Franz onder de vleugels had gevat, keek hij het geïntimideerde beest doordringend aan en vroeg: ’Zeg eens Franz, wat gaat het vanavond tegen de Argentijnen worden? ‘
Franz strekte de nek, keek de mannen aan en zweeg.
‘Slechte vraag,’ zei Jos.
‘Dan doen we het anders: Franz, hoeveel doelpunten scoort Argentinië tegen Nederland?’
De Bielefelder zakte door de poten en zweeg opnieuw.
‘Geen doelpunten dus voor Argentinië,’ concludeerde Jos.
‘En hoeveel doelpunten voor Nederland?’ ging Arnold verder en kneep de haan een paar keer flink in de borst om zeker te zijn van een reactie.
Onmiddellijk schoot Franz omhoog en kraaide verontwaardigd, vier keer.
‘Dat is dus vier nul voor Nederland,‘ lachte Jos geamuseerd.
Arnold wist echt niet of hij vier of vijf, misschien wel drie keer had geknepen, maar 4-0 was natuurlijk onmogelijk. Wat maakte het uit, het was al grappig dat Franz überhaupt als een echte macho had gekraaid.

Na de wedstrijd deed het gerucht de ronde dat de haan van Arnold, de onwaarschijnlijke overwinning op Argentinië ’s middags al had voorspeld. Zij ontkwamen met geen mogelijkheid aan een optreden voor de finale.

Op het dak van het clubhuis dansten tientallen oranje ballonnen vrolijk in de wind. Bij de ingang van het sportpark kon je de uitgelaten opwinding al horen. De kantine was gezellig oranje aangekleed met plastic slingers die je meerdere keren kon gebruiken en vlaggetjes die je zo weg kon gooien. Iedereen had wel een of ander oranje gekleurd hoofddeksel op, maar de pruik en de indianenhoofdtooi waren duidelijk favoriet. Een paar spelersvrouwen, die voor de gezelligheid ook waren meegekomen, hadden het sexy oranjejurkje van Henny Cruijff aangetrokken, waarover zij klaagden dat het zo opkroop. Het bier werd speciaal voor de gelegenheid in Duitse halve liters getapt.

‘En nu is het de beurt aan Franz uit Bielefeld’, nam de voorzitter het woord.
‘Franz voorspelt feilloos de uitslagen van WK wedstrijden en dat gaat hij nu voor ons doen. Aanschouw het wereldwonder en je hoeft alleen de wedstrijd nog te zien. Arnold mag ik je uitnodigen?’
Met Franz onder de arm kwam Arnold naar voren: gul applaus, veel geschreeuw en gefluit. Arnold moest er niets van hebben: al die wilde, ongecontroleerde heisa, dat ging altijd verkeerd. Met het bier in zijn nek -het leek de Achterhoek wel- liep Arnold door de opdringende oranje supporters.
‘De haan moet ook een biertje,’ schreeuwde er een en overgoot de bange Franz. Begeleid door toeters en ratels werd het “Holland wint de wereldcup’ krachtig ingezet. Ja, de stemming zat er goed in.

‘Ik moet om stilte vragen. Stilteèè,’ schreeuwde Arnold, ‘Franz moet zich absoluut kunnen concentreren, anders sta ik niet in voor de juistheid van de voorspelling.’
Een tweede verzoek van de voorzitter bracht enigszins rust in de tent, maar stilte werd het natuurlijk niet. Alsof hij hem wilde planten zette Arnold Franz met de poten op tafel. Meegaand ging de haan in ruststand zitten. Blijkbaar was dat niet naar de zin van Arnold, want hij tilde hem nogmaals op en zette hem opnieuw op de gestrekte poten. Zo moest hij staan en niet anders. Franz begreep het. Arnold aaide hem over de trotse verenborst en keek hem weer doordringend aan. Franz was er klaar voor.
‘Franz, hoeveel doelpunten gaat Nederland vanavond tegen Duitsland maken?’
De spanning was voelbaar. Franz wachtte een moment en kraaide toen één keer alsof hij het licht gezien had. Het volk wilde echter meer. Eén keer kraaien was wel een erg krappe voorsprong, maar Franz maakte geen enkele aanstalten om meer doelpunten te maken.
‘Eén voor Nederland,’ vatte de voorzitter neutraal samen, ‘nu de Duitsers Arnold.’
Arnold had het behoorlijk benauwd.
‘Je moet je heel goed concentreren Franz,’ zei Arnold met een nadrukkelijke noodzaak in zijn stem. Opnieuw die stilte.
‘Hoeveel doelpunten maken de Duitsers vanavond, Franz?’ vroeg Arnold. Hij vermeed elk contact met Franz. Hij hield de haan losjes gevangen in het hokje dat hij met gespreide vingers had gemaakt. Elke vorm van druk op de haan zou tot een verkeerde uitslag kunnen leiden. Franz keek Arnold aan en even was daar dat verwaande lachje om de snavel van de Bielefelder. Hij zette aan en zonder terughoudendheid kraaide hij het uit. Liefst tweemaal. Voordat iemand zich realiseerde wat dat betekende, vloog Franz van tafel, tussen de verbouwereerde supporters door, zo de openstaande terrasdeuren uit. Weg van het rokerige en naar bier stinkende nest vol kabaal, naar de arcadische sfeer van het rustende voetbalveld.
Een officiële verklaring van de voorzitter was niet meer nodig. Het afkeurende gejoel en boegeroep was niet van de lucht. Men speelde boosheid en verontwaardiging, maar koos voor de vergoelijking dat het toch maar onzin was. De bierpullen werden gevuld en de aandacht ging naar het grote projectiescherm. Het wachten was op het fluitsignaal van Taylor.

De meeste oranje ballonnen waren van het dak gewaaid. Wat resteerde waren wat rimpelige exemplaren, die als oude mannetjes chagrijnig lagen te wachten tot ook zij door de wind zouden worden meegenomen.
Het rumoer van feestende mensen had het terras verlaten. De kantine stond er, tussen de versleten velden, verslagen bij. Ergens op die vlakte liep een trotse haan.
Arnold zat samen met zijn elftal aan de lange formica tafel. Het kon niet waar zijn. Tien minuten eerder was het nog een uitgelaten feest geweest en koesterden zij, de ijdele voetbalminnaars, nog hoop. Helemaal van slag, met de mouwen in het gemorste bier zaten de ontgoochelden glazig voor zich uit te kijken. Met de ontzetting op de beschilderde gezichten, vormden zij een lachwekkend hoopje droevige clowns. Langs de kant lagen hoeden, hoofdtooien en smoezelige pruiken. De dames liepen troostend langs hun mannen, maar de vreugde was wel uit de kekke katoentjes verdwenen. Het was gebeurd, het was over, uit en Schluss. Het was serieuze shit.

De commentaren, het bier en de analyses kwamen langzaam weer op gang. De ergernis en kwaadheid groeiden zoals bij elke onrechtvaardigheid die men moet accepteren. Daar werd een stoel omver geschopt, een tafel op zijn kant gezet en ook de pullen moesten het ontgelden. Bij het grote scherm stonden mannen beledigingen en verwensingen te schreeuwen naar de geprojecteerde Duitse voetballers. Bij elke herhaling schreeuwden de supporters moord en brand over al dan niet gepleegde overtredingen, schwalbes en foutieve beslissingen. Een paar pissige mannetjes stonden godverdomme klaar om alle aanwezigen, en ieder ander die daarom vroeg, eens flink op de flikker te geven. Het was een echte vriendenclub.

Vanuit het niets renden ineens een stuk of vijf dronken jongens het terras en de velden op.
‘Franz, die rot haan, die Bielefelder mof, die gaan we pakken.’
‘Het is zijn schuld, het is de schuld van die verdomde rot haan.’
‘We moeten hem pakken en de nek omdraaien,’ riepen zij kotsend en buiten adem.
Als een stel halvegaren liep de meute achter de haan aan. Franz was onverstoord. Kwamen de Hollanders te dichtbij dan vloog hij op en fladderde een tiental meters verder. Parmantig pikte hij dan voort en hield de heethoofden in de gaten. Franz was onbereikbaar.

Is dat niet te veel gevraagd?

Mag ik je iets vragen? Ben ik de eerste? Lach je me uit? Durf je het met mij aan? Vind je mij niet vragensaai? Vind je dat echt? Zullen we het doen? Of ben je ongesteld? Moet ik dat erg vinden? Wat wil je dat ik doe? Zullen we in bed blijven? Waarom zo vroeg al? Dat is toch niet gek? Heb jij er zin in? Ben je klaar gekomen? Heeft dat zo lang geduurd? Zullen we de nieuwe lakens op het bed doen? Zie ik zo bleek? Begrijp jij dat nou? Hou je nog wel van me? Heb je nog aan mij gedacht? Je bent toch niet boos op me? Waar denk je aan? Wie had je net aan de lijn? Kan ik op je rekenen? En was hij daar bij? En…wat zei zij? Zag je hoe ze keek? En geloof je dat? Wie waren er nog meer? Heb je nog iets over mij verteld? En, wat vinden ze van me? Waar hebben jullie het dan over gehad? Wil je me gek maken? Waarom heb je me dat niet eerder gezegd? Is er verder nog iets dat ik moet weten? Rode of witte? Wat wil je eten? Lust je dat niet? Maar wat wil jij nou? Hallo, ben je er nog? Kan ik je helpen? Waar bleef je nou? Vind je me nog aardig? Kun je je daar iets bij voorstellen? Zit je weer achter de computer? Heb je me gemist? Ben je boven? Zullen we lekker thuis blijven? Is er nog iets op? Wat wil jij zien? Is dit wat je bedoelt? Zal ik nog eens inschenken? Zullen we vroeg naar bed gaan? Waarom lach je nou? Is dat lief bedoeld? Hoe voelt dat dan voor jou? Wat gaat er door je heen? Vind je me nog mooi? Zie ik er nog goed uit? Heeft niemand dat nog tegen je gezegd? Meen je dat? Doe ik het zo goed? Heb je enig idee? Kom je schat? Lekker? Was het fijn? Heeft het gesmaakt? Is dat nou alles? Heb jij nog wat kleingeld? Van wie heb je dat? Geef je nog wel om me? Wil je het mij altijd vertellen, alsjeblieft? Beloof je dat? Zullen we dan maar? Maar ga jij er ook voor? Vind jij het fijn, zo samen? Hoe laat moet je weer beginnen?

Hoe laat kom je thuis? Wat is er op de televisie? Zit je nou nog achter de computer? Duurt het nog lang? Heb jij nog gebeld? Waarom zou je op mij wachten? Zou je niet eens voortmaken? Kom je nog? Heb je alles? Waar ben je al die tijd geweest? Wat denk je? Hoe moet ik dat weten? Kun je even gewoon doen? Snap je dat? Wat zullen we eten? Kook jij? Wat bedoel je? Hoe onnozel kan je zijn? Kan je niet wat meer in het huishouden doen? Waar denk je aan? Doe jij de kinderen? Kan het wat minder? Waar kan ik je mee verrassen? Wat vind jij nou lekker? Zal ik je rug masseren? Is dit voor mij? Kan dat zo maar? En hoe gaat dat dan verder? Verveel ik je? Denk je nou echt dat mij dat een moer kan schelen? Heb je de vaatwasser al uitgeruimd? Zal je dat nooit meer doen? Waar heb je dat gelezen? Zal ik het dan maar doen? Laat jij de hond uit? Kun je even komen? Ruik jij dat ook? Moet je dat aan mij vragen? Wat zeg je? Heb je mij niet verstaan? Heeft er nog iemand voor mij gebeld? Heb jij nog aan haar verjaardag gedacht? Wil jij dat wel? Zeiden ze nog iets over mij? Moet ik wat zeggen? Hou je nog een beetje van me? Denk je dat ik dat niet weet? Moeten we het daar niet eerst over hebben? Heb je dat ook tegen hem gezegd? Moet ik dat geloven? Heb ik niets meer te vertellen? Wat heb je gegeten? Kan ik je iets inschenken? Een wijntje misschien? Zal ik je plek warm maken? En denk je daar mee weg te komen? Zal ik dan rijden? Waarom moet ik daar altijd over beslissen? Hoe kom je erbij? Ben ik nog steeds je liefste? Heb ik dat gezegd? Heb je weleens in de spiegel gekeken? Valt je niks op? Staat dat mij een beetje? Vind je dat mooi? Wil je mijn sjaal soms om? Wat voor weer wordt het morgen? Kun je iets liefs tegen mij zeggen? Zal ik eerst? Waarom zeg je niets? Wanneer denk je dat dan wél te doen? Waar ben je mee bezig? Wat doe je? Waarom huil je nou? Heb je pijn? Waarom stel je je zo aan? Heb je nou je zin? Kan het niet wat zachter? Dacht je dat ik het expres deed? Moest dat zo lang duren? Wat nou? Wat zoek je? Waar heb je mijn pantoffels gelaten? Waar heb je het de laatste keer gebruikt? Zullen we de lakens samen uitdelen? Ben je de leukste thuis?

Wil je me even vasthouden? Ben je bang? En dat vind je lollig? Wat kan jou dat nou schelen? Waar zat je nou? Moet dat nou? Ben je dat nu al weer vergeten? Wil je me even op m’n rug krabben? Wil je eigenlijk nog wel? Kan ik wat van je overnemen? Wil je al eten? Moet ik dat nog uitleggen? Waar heb je het het laatst gebruikt? Hoe laat zullen we gaan? Gebeurt er nog wat? Zal ik je even alleen laten? Was het dat zo’n beetje? Ja, waarom zijn de bananen krom? Wil jij er eens naar kijken? Wordt het niet hoog tijd om naar bed te gaan? Zullen we het samen doen? Hoe kun je dat nu denken? Heb je de dokter nog gebeld? Heb jij daar nog aan gedacht? Moet je daar nu zo over zeiken? Hoe moet ik dan verder? Wat dacht je zelf? Zal ik je haren kleuren? En was zij daar bij? Hoe vaak moet ik dat nog zeggen? Zullen we het winterdek erop doen? Is dat niet fijn? Denk je dat ik me daar nog druk om maak? Waar heb ik dat meer gehoord? Wéét je dat niet meer? Heb jij mijn bril gezien? Komt er nog wat van? Wat wil je? Heb jij je portemonnee bij je? Wanneer had je het nog? Heb je wel goed gekeken? Voel je je wel lekker? Ben je nog wel gelukkig met mij? Hoezo? Het zal toch niet waar zijn? Moet ik dan alles doen? Weet je van wie je de groeten moet hebben? Ken je die nog wel? Weet jij het dan zoveel beter? Heb je dat gelezen? Slaap je al? Heb je genoeg dekens? Had je dat nou niet anders kunnen doen? Zal ik het zelf maar doen? Weet jij nog hoe ze heten? Zal ik je voeten masseren? Lach je me nu uit? Zijn we daar niet te oud voor? Is dat alles? Wat zit je toch te piekeren? Heb je nog afgesloten? Zal ik de boodschappen doen? Heb jij dat misschien opgeruimd? Waar heb je het dan opgeborgen? Zullen we even rusten? Is er eigenlijk nog wel iets dat je de moeite waard vindt? Ach, kun je mij dat even aangeven? Moet je niet iets schoons aan? Wat zou jij nog willen? Je bent het toch niet vergeten? Zou je niet eens naar de dokter gaan? Waar naar toe? Heb je het warm genoeg? Wie zou daar anders aan denken? Zijn we daarvoor verzekerd? Het zal toch niet waar zijn? Wil je een deken erbij? Heb je al je medicijnen ingenomen? Zal ik het anders even doen? Is dat weer helemaal goed gekomen? Je hebt toch geen pijn op de borst? Waar maak je je dan zo druk over? Kun je het aan me zien? Weet je wie er dood is? Wil je me nog wat zeggen? Waarom vraag je dat?

Twintigtallen

Het gaat redelijk goed met onze voetbalclub. Geen grote schulden, niets uit de kas gejat en geen omkopingsgeruchten. De jeugd is groeiend en het eerste doet het goed. De selectie is mooi uitgebalanceerd, goeie mix van ervaring en overmoed, van technisch begaafd en onverschrokken inzet. Wij zijn een gevreesde middenmoter, zou je kunnen zeggen.
Op de onlangs gehouden buitengewone ledenvergadering (het bestuur wilde onze mening) vertelde de voorzitter, dat vanuit de KNVB het verzoek was gekomen om de elftallen voortaan uit minimaal 20 spelers te laten bestaan. Met uitzondering van het eerste en tweede elftal, kortweg de selectie genoemd.
‘Door dvoorzittere ernstige verruwing van het voetbal elders wordt de KNVB geconfronteerd met een enorme toename van het aantal lidmaatschapsaanvragen. Er zijn echter hoegenaamd geen elftallen meer beschikbaar om die nieuwe leden te plaatsen. Aangezien er geen ruimte voor extra speelvelden meer is, moet de oplossing in de diepte gevonden worden en niet in de breedte,’ aldus onze voorzitter.
Wat hij precies bedoelde met breedte en diepte wisten wij niet.
‘Dat is ook niet nodig,’ zei hij, ‘waar het om gaat zijn twintigtallen voortaan in plaats van de vertrouwde elftallen.’
Alsof ik alleen in de kantine was, zo stil was het. Kort. Daarna brak een onthutsend tumult los. De leden schreeuwden door en over elkaar heen. Misschien was het verontwaardiging of afschuw, misschien was het angst of onwetendheid, of uit een opkomende paniek en onzekerheid. De leden dachten aan hun wekelijkse partijtje voetbal, hun positie in en buiten het veld, hun vriendenelftal en hun derde helft, tot en met de 14 lockers en de zeven douches in elke kleedruimte. Men vreesde alles te moeten opgeven. En dat voor wild vreemden die zo nodig bij hun cluppie moesten voetballen. ‘Waarom niet ergens anders?’
‘En waarom mag de selectie met elf man blijven spelen?’
‘Zijn zij soms te goed of zijn wij niet goed genoeg?’ schreeuwde een recalcitrant lid.
‘Meer of minder elftallen? Wat willen jullie: mééér of minder?’
‘Meer, meer, meer, meer,’ scandeerden de trouwe leden.
‘Schande,’ riep iemand en ‘Aso’s,’ een ander.
Argumenten voor en tegen vlogen als een herfstzwerm spreeuwen, zwenkend van links naar rechts en van beneden naar boven door de kantine, steeds van kleur en vorm veranderend.
De penningmeester probeerde de negatieve stemming met de macht van de getallen enigszins te beteugelen: ‘Stel je voor, een verdubbeling, niet alleen van leden, maar ook van contributie inkomsten. En ach, voor de meeste elftallen maakt het toch niet zo veel uit 11 of 20. Sterker nog, het wordt veel makkelijker, veel minder lopen,’ grapte hij.
Verontwaardiging bij de echte liefhebbers van het spelletje natuurlijk.
De clubtrainer wierp tegen:
‘Door de kwantiteit zal ook de kwaliteit achteruit gaan. De match zal eruit gaan. Opeens hebben we 10 aanvallers of 13 verdedigers in één elftal. Ok, in een team dan. Of 15 ouderen met vijf jongeren, ik noem maar wat, 15 hardlopers en vijf verdedigers. Dit vraagt om een hele ander systeem, een heel andere spelopvatting.’
Het bestuur onderstreepte nog eens dat het verzoek onmogelijk afgewezen kon worden.
‘We móeten elkaar helpen,’ zat hij voor.
De zaal reageerde als een rolbliksem, ongecontroleerd, verschroeiend en frontaal over het bestuur heen. Beduusd deinsden zij achteruit en de mevrouw van de koffiekopjes zocht ijlings de weg terug naar haar pantry.
Onze voorzitter probeerde nog iets redelijks in de discussie te brengen, maar dat ging jammerlijk verloren in de zee van emoties. Het lukte hem nog wel om af en toe wat aandacht voor een uitleg te krijgen, maar het vuur smeulde onderaards verder om de korte stiltes te gebruiken als zuurstof voor de felle uitslagen.
Wat er verder die avond gezegd en gezwegen werd, is het vermelden niet waard. Zou zelfs onze club een slechte naam kunnen geven. Om half twaalf werd de vergadering afgehamerd. Voor de volgende week woensdag werd een nieuwe bijzondere ledenvergadering gepland. Voor de zekerheid was het buffet een half uur eerder al gesloten.
Het zal mij benieuwen of en hoe we hier uit komen.

Wolfheze

Tegenover de psychiatrische kliniek in Wolfheze ligt een terras.

Het is zondag, fietsdag, en ik verlang naar een biertje. Ik zet mijn fiets voor de zekerheid op slot, haal een zakdoek langs mijn bezwete gezicht en loop naar de overkant. Er is net één tafel vrijgekomen. Om andere bezoekers voor te zijn, ga ik met licht versnelde pas op het tafeltje af, hou even in als ik zie dat er geen concurrenten zijn en neem dan kalm plaats.

Om mij heen zitten de mensen van ‘de overkant’ met hun bezoekende familieleden of oplettende begeleiders. Luidruchtige kinderen en patiënten worden in toom gehouden met ijsjes en medicijnen. De roestvrij stalen plaatjes met de tafelnummers suggereren orde.

Het wachten is op een geïnteresseerde ober en als die mij gevonden heeft, bestel ik dat begeerde biertje. Een vod gaat over mijn tafel en de ober verdwijnt weer. Ondertussen observeer ik mijn omgeving. Tsjonge, wat ben ik blij dat ik het aardig onder controle heb.

Een man, niet ouder dan een jaar of veertig, met een oranje baseballpetje op, laveert tussen het plastic meubilair. Soms staat hij even stil, kijkt om zich heen en gaat dan, zonder een duidelijke richting, weer verder.

Hij zal wel niet helemaal goed zijn, bedenk ik.

dienbladDe ober doet zijn werk in zwarte pantalon en wit overhemd, hetgeen een schone indruk zou moeten maken. Zijn tred is veerkrachtig en gericht. Niet gehaast, hoewel het druk is. Het dienblad, vol en zwaar van wisselgeld en consumpties, balanceert op zijn uitgespreide vingers.

Ergens tussen tafel 8 en 13 gaat het onvermijdelijke gebeuren. Ik wil er niets mee te maken hebben. Ik kan nog opspringen en ze waarschuwen, maar blijf zitten en kijk toe.

Cola en bier spatten in het rond, kopjes wankelen op schoteltjes en koekjes drijven in de koffie. Het losse geld valt op de grond. Het kannetje met koffiemelk belandt op tafel 11, waar iedereen als door een wesp gestoken opspringt en even snel weer zitten gaat. Met veel moeite houdt de ober het dienblad op zijn hand. Hij vloekt niet, wordt niet boos, maar probeert nog wat te redden. Toch vallen twee glazen in gruzelementen. Een moeder trekt haar kind op schoot, weg van het vogelvrije wisselgeld. Uit alle hoeken komen zakdoeken en servetjes. Het ontredderde terras beziet zichzelf en probeert al poetsend weer tot zinnen te komen.

Niet in het minst uit zijn evenwicht en met een brede glimlach verontschuldigt de man zich bij de ober en de geschrokken terrasbezoekers. Hij raapt de meest in het oog lopende scherven op en legt die op het dienblad van de ober. Dan raapt hij, als gebaar wat wisselgeld op en geeft dat aan de ober. Hij klopt de man gemoedelijk op de schouder, als na een geslaagde gezamenlijke grap en vervolgt zijn weg over het terras. In mijn richting.

O god, als hij maar niet bij mij komt zitten. Om zijn blik te ontwijken draai ik mijn hoofd naar rechts. Hij staat al bij de lege stoel aan mijn tafeltje.

“Is deze stoel bezet?” vraagt hij.

Ik had het graag gewild, maar vriendelijk zeg ik, “nee hoor, gaat u gerust zitten.”

De man doet zijn pet af en gaat zitten. Ik kan hem ruiken. Zijn beige corduroy broek spreekt boekdelen. Ik verplicht mijzelf gewoon tegen hem te doen.

“Dat was schrikken hè,” open ik het gesprek. Wat moet je anders?

Hij lacht kwajongensachtig: “Ben je echt geschrokken?” vraagt hij.

“Nee, ík niet. Ú zal wel geschrokken zijn”, zeg ik corrigerend. Ik hou er niet van als mensen meteen beginnen te ‘je en jouwen’.

“Ik schrok niet,” zegt hij stellig, “ik kom hier elke zondag en de botsing met de ober is een vast onderdeel van het dagprogramma.”

“ja, ja, dat maakt u mij niet wijs.”

“Oké, niet elke zondag. Alleen bij mooi weer als het terras goed bezet is”, zegt de man toegeeflijk.

“En de obers vinden dat zeker goed?”

“Ik heb een vaste ober. Mingus werkt hier iedere zondag, zelfde tijd en in dezelfde stemming. Hij behandelt mij als elke onhandige bezoeker die toch beleefd bediend moet worden.“

Dan buigt hij zich vertrouwelijk naar mij toe en zegt achter zijn hand: “Je denkt zeker dat ik niet goed wijs ben, hè?”

“Nou, een beetje eigenaardig vind ik het allemaal wel, moet ik toegeven.”

“Een beetje eigenaardig, dat wel”, bauwt de man mij na.

Ik voel mij nu toch ongemakkelijk worden. Wat moet ik in godsnaam met die vent ? Ook mijn irritatie neemt toe, maar wat mag je iemand van de overkant kwalijk nemen?

“ Ja ik vind het een beetje eigenaardig. Mag dat soms niet? Mag ik het niet raar vinden dat u het hele terras op stelten zet en vervolgens beweert dat u dat elke week doet met goedkeuring van de ober? Dat moet ik allemaal gewoon vinden?“

“Ah ha, een beetje raar. Meneer vindt het een beetje raar.”, schampert hij.

Hij draait zich om naar tafel 10 waar de begeleidster er net in geslaagd is om de patiënten weer in het gareel te krijgen. Harder dan nodig zegt hij tegen de hele tafel : “Meneer hier vindt het raar, hij vindt het raar. Wat zeg je daarvan?”

En dan tegen een nog jonge dame in het gezelschap: “Doe jij ook wel eens raar?” De vrouw lacht verlegen en knikt ontkennend. De rest van het tafeltje roept enthousiast van wel. Tevreden over deze reactie rolt hij zijn lach uit.

“Een beetje raar, een beetje raar”, roept hij en blijft dat maar herhalen. Hij loopt naar een ander tafeltje ‘een beetje raar, een beetje raar’ roept hij weer lachend en kijkt de mensen recht in het gezicht. Zijn lachen werkt aanstekelijk, want naast ons beginnen mensen op tafel te slaan en al even hard mee te lachen. Op steeds meer plaatsen ontstaan kleine vuurhaarden van onbegrijpelijke pret en uitbundigheid. De vastgeroeste remmen komen langzaam los.

Verwonderd en verontrust zie ik hoe de man het terras in brand zet. De begeleiding kan met moeite de sorbets en frisdrank onder controle houden. Mensen stampen met hun voeten, klappen in hun handen en struikelen over elkaar. Het terras gloeit en loeit. Personeel komt naar buiten en begeleiders proberen de aan hun toevertrouwde cliënten te kalmeren. Een jonge en vertwijfelde stagiaire probeert haar groepje van het terras des onheil weg te voeren. Niemand luistert en bevrijd van de goede zorgen zitten de doorgaans timide patiënten elkaar tussen stoelen en tafels achterna.

Ik wil niemand in de weg staan en weet niet anders te doen dan mijn armen en benen zover mogelijk in te trekken. Mijn hand houdt de rand van mijn tafeltje vast. Wat een zooi. Wat is er aan de hand met iedereen? Als een zure oprisping komt mijn schuld omhoog. Als ik dit geweten had.

De man zwiert tussen de tafels. Her en der slaat hij mensen op de schouder, schudt handen en zingt het liedje van ‘een beetje raar, een beetje raar’.

Na her en der nog wat rotzooi trappen, zet de man zijn petje recht, zoekt zijn plaats en gaat weer rustig naast mij zitten. Aan zijn lachende kop kun je zien dat hij nog steeds plezier beleeft aan alle onrust.

Niemand zal toch denken dat hij bij mij hoort?

Het terras is één grote bende. Stoelen zoeken tafels, begeleiders hun patiënten en tussen de klinkertjes liggen allerhande restanten van de vrolijke revolte. Hier en daar wordt nog wat gevochten tussen verstand en emotie, maar de toestand normaliseert omdat de dwaasheid niet langer stand kan houden.

Het hele gebeuren heeft misschien tien minuten geduurd. Ik heb niets gedaan om wat dan ook te bereiken. Als de spelleider van een reality quiz stelt de man de hamvraag: “Wat was er raar aan deze situatie?”

“Zou ik dat moeten weten?” informeer ik als een in het nauw gedreven kandidaat.

“Zou kunnen, maar je mag erover nadenken”, antwoordt hij.

Ik leg wat geld op tafel en vertrek zonder antwoord naar de overkant. Daar staat mijn fiets.