Wolfheze

Tegenover de psychiatrische kliniek in Wolfheze ligt een terras.

Het is zondag, fietsdag, en ik verlang naar een biertje. Ik zet mijn fiets voor de zekerheid op slot, haal een zakdoek langs mijn bezwete gezicht en loop naar de overkant. Er is net één tafel vrijgekomen. Om andere bezoekers voor te zijn, ga ik met licht versnelde pas op het tafeltje af, hou even in als ik zie dat er geen concurrenten zijn en neem dan kalm plaats.

Om mij heen zitten de mensen van ‘de overkant’ met hun bezoekende familieleden of oplettende begeleiders. Luidruchtige kinderen en patiënten worden in toom gehouden met ijsjes en medicijnen. De roestvrij stalen plaatjes met de tafelnummers suggereren orde.

Het wachten is op een geïnteresseerde ober en als die mij gevonden heeft, bestel ik dat begeerde biertje. Een vod gaat over mijn tafel en de ober verdwijnt weer. Ondertussen observeer ik mijn omgeving. Tsjonge, wat ben ik blij dat ik het aardig onder controle heb.

Een man, niet ouder dan een jaar of veertig, met een oranje baseballpetje op, laveert tussen het plastic meubilair. Soms staat hij even stil, kijkt om zich heen en gaat dan, zonder een duidelijke richting, weer verder.

Hij zal wel niet helemaal goed zijn, bedenk ik.

dienbladDe ober doet zijn werk in zwarte pantalon en wit overhemd, hetgeen een schone indruk zou moeten maken. Zijn tred is veerkrachtig en gericht. Niet gehaast, hoewel het druk is. Het dienblad, vol en zwaar van wisselgeld en consumpties, balanceert op zijn uitgespreide vingers.

Ergens tussen tafel 8 en 13 gaat het onvermijdelijke gebeuren. Ik wil er niets mee te maken hebben. Ik kan nog opspringen en ze waarschuwen, maar blijf zitten en kijk toe.

Cola en bier spatten in het rond, kopjes wankelen op schoteltjes en koekjes drijven in de koffie. Het losse geld valt op de grond. Het kannetje met koffiemelk belandt op tafel 11, waar iedereen als door een wesp gestoken opspringt en even snel weer zitten gaat. Met veel moeite houdt de ober het dienblad op zijn hand. Hij vloekt niet, wordt niet boos, maar probeert nog wat te redden. Toch vallen twee glazen in gruzelementen. Een moeder trekt haar kind op schoot, weg van het vogelvrije wisselgeld. Uit alle hoeken komen zakdoeken en servetjes. Het ontredderde terras beziet zichzelf en probeert al poetsend weer tot zinnen te komen.

Niet in het minst uit zijn evenwicht en met een brede glimlach verontschuldigt de man zich bij de ober en de geschrokken terrasbezoekers. Hij raapt de meest in het oog lopende scherven op en legt die op het dienblad van de ober. Dan raapt hij, als gebaar wat wisselgeld op en geeft dat aan de ober. Hij klopt de man gemoedelijk op de schouder, als na een geslaagde gezamenlijke grap en vervolgt zijn weg over het terras. In mijn richting.

O god, als hij maar niet bij mij komt zitten. Om zijn blik te ontwijken draai ik mijn hoofd naar rechts. Hij staat al bij de lege stoel aan mijn tafeltje.

“Is deze stoel bezet?” vraagt hij.

Ik had het graag gewild, maar vriendelijk zeg ik, “nee hoor, gaat u gerust zitten.”

De man doet zijn pet af en gaat zitten. Ik kan hem ruiken. Zijn beige corduroy broek spreekt boekdelen. Ik verplicht mijzelf gewoon tegen hem te doen.

“Dat was schrikken hè,” open ik het gesprek. Wat moet je anders?

Hij lacht kwajongensachtig: “Ben je echt geschrokken?” vraagt hij.

“Nee, ík niet. Ú zal wel geschrokken zijn”, zeg ik corrigerend. Ik hou er niet van als mensen meteen beginnen te ‘je en jouwen’.

“Ik schrok niet,” zegt hij stellig, “ik kom hier elke zondag en de botsing met de ober is een vast onderdeel van het dagprogramma.”

“ja, ja, dat maakt u mij niet wijs.”

“Oké, niet elke zondag. Alleen bij mooi weer als het terras goed bezet is”, zegt de man toegeeflijk.

“En de obers vinden dat zeker goed?”

“Ik heb een vaste ober. Mingus werkt hier iedere zondag, zelfde tijd en in dezelfde stemming. Hij behandelt mij als elke onhandige bezoeker die toch beleefd bediend moet worden.“

Dan buigt hij zich vertrouwelijk naar mij toe en zegt achter zijn hand: “Je denkt zeker dat ik niet goed wijs ben, hè?”

“Nou, een beetje eigenaardig vind ik het allemaal wel, moet ik toegeven.”

“Een beetje eigenaardig, dat wel”, bauwt de man mij na.

Ik voel mij nu toch ongemakkelijk worden. Wat moet ik in godsnaam met die vent ? Ook mijn irritatie neemt toe, maar wat mag je iemand van de overkant kwalijk nemen?

“ Ja ik vind het een beetje eigenaardig. Mag dat soms niet? Mag ik het niet raar vinden dat u het hele terras op stelten zet en vervolgens beweert dat u dat elke week doet met goedkeuring van de ober? Dat moet ik allemaal gewoon vinden?“

“Ah ha, een beetje raar. Meneer vindt het een beetje raar.”, schampert hij.

Hij draait zich om naar tafel 10 waar de begeleidster er net in geslaagd is om de patiënten weer in het gareel te krijgen. Harder dan nodig zegt hij tegen de hele tafel : “Meneer hier vindt het raar, hij vindt het raar. Wat zeg je daarvan?”

En dan tegen een nog jonge dame in het gezelschap: “Doe jij ook wel eens raar?” De vrouw lacht verlegen en knikt ontkennend. De rest van het tafeltje roept enthousiast van wel. Tevreden over deze reactie rolt hij zijn lach uit.

“Een beetje raar, een beetje raar”, roept hij en blijft dat maar herhalen. Hij loopt naar een ander tafeltje ‘een beetje raar, een beetje raar’ roept hij weer lachend en kijkt de mensen recht in het gezicht. Zijn lachen werkt aanstekelijk, want naast ons beginnen mensen op tafel te slaan en al even hard mee te lachen. Op steeds meer plaatsen ontstaan kleine vuurhaarden van onbegrijpelijke pret en uitbundigheid. De vastgeroeste remmen komen langzaam los.

Verwonderd en verontrust zie ik hoe de man het terras in brand zet. De begeleiding kan met moeite de sorbets en frisdrank onder controle houden. Mensen stampen met hun voeten, klappen in hun handen en struikelen over elkaar. Het terras gloeit en loeit. Personeel komt naar buiten en begeleiders proberen de aan hun toevertrouwde cliënten te kalmeren. Een jonge en vertwijfelde stagiaire probeert haar groepje van het terras des onheil weg te voeren. Niemand luistert en bevrijd van de goede zorgen zitten de doorgaans timide patiënten elkaar tussen stoelen en tafels achterna.

Ik wil niemand in de weg staan en weet niet anders te doen dan mijn armen en benen zover mogelijk in te trekken. Mijn hand houdt de rand van mijn tafeltje vast. Wat een zooi. Wat is er aan de hand met iedereen? Als een zure oprisping komt mijn schuld omhoog. Als ik dit geweten had.

De man zwiert tussen de tafels. Her en der slaat hij mensen op de schouder, schudt handen en zingt het liedje van ‘een beetje raar, een beetje raar’.

Na her en der nog wat rotzooi trappen, zet de man zijn petje recht, zoekt zijn plaats en gaat weer rustig naast mij zitten. Aan zijn lachende kop kun je zien dat hij nog steeds plezier beleeft aan alle onrust.

Niemand zal toch denken dat hij bij mij hoort?

Het terras is één grote bende. Stoelen zoeken tafels, begeleiders hun patiënten en tussen de klinkertjes liggen allerhande restanten van de vrolijke revolte. Hier en daar wordt nog wat gevochten tussen verstand en emotie, maar de toestand normaliseert omdat de dwaasheid niet langer stand kan houden.

Het hele gebeuren heeft misschien tien minuten geduurd. Ik heb niets gedaan om wat dan ook te bereiken. Als de spelleider van een reality quiz stelt de man de hamvraag: “Wat was er raar aan deze situatie?”

“Zou ik dat moeten weten?” informeer ik als een in het nauw gedreven kandidaat.

“Zou kunnen, maar je mag erover nadenken”, antwoordt hij.

Ik leg wat geld op tafel en vertrek zonder antwoord naar de overkant. Daar staat mijn fiets.

 

2 thoughts on “Wolfheze”

  1. Prachtig verhaal over relativiteit van het referentiekader waarmee een oordeel wordt gegeven. Mijn schoonmoeder, 91, heeft gordelroos, al weet ze zeker dat de dokter een verkeerde diagnose heeft gesteld. Die zegt maar wat, net als al de meisjes en hulpje in dit huis. Ze bleek de eerste pil van de voorgeschreven kuur niet ingenomen te hebben. Waarom? Ik ken die pil niet, hij komt me niet bekend voor.
    Tja, heel logisch eigenlijk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *