Boterham met zorg

De fiets van Brent stond buiten aan de ketting na te druppen van een hele nacht miezerregen. Hij legde zijn rugtas op de bagagedrager, klapte de snelbinder erop en haakte de plastic tas achter de fietsbel aan het stuur. Met de mouw van zijn jas droogde hij het zadel, waarvan het stiksel vervelend vochtig bleef. Brent maakte de ketting los, bracht de fiets naar de weg, zette zijn rechter voet op de trapper en stepte met zijn linker voet achterlangs, totdat hij snelheid had. Toen zwaaide hij met kracht en allure zijn linker been over de bagagedrager, zweefde een paar centimeter in de lucht en plofte op het zadel. Had hij gezien van zijn vader.
Brent vroeg zich af of hij niet te veel op zijn vader leek: de vluchtige zoen waarmee hij zwijgend het huis verliet; zijn brood aan het stuur; op weg naar zijn werk, thuis de boel, de boel latend. Misschien had hij zijn moeder duidelijker moeten laten merken dat hij aan haar kant stond? Misschien had hij haar even stevig moeten vastpakken voor hij wegging? Niet zo achteloos en zwijgzaam.
Brent wilde op zijn vader lijken en bij zijn moeder zijn. Maar zij hadden ruzie, zoals zo vaak.
Met zijn knie stootte hij tegen de tas aan het stuur. Hij draaide zijn knie nog verder naar buiten. Zijn vader zou nooit zo rijden: “Rotzooi aan het stuur is altijd gevaarlijk.”
Maar hij had makkelijk praten. Hij had een mooie grote fietstas en hoefde nooit boodschappen te doen en al helemaal geen brood nabrengen. “Niets dan handen aan het stuur en goed uitkijken,” zo hoorde het, maar niet voor iedereen.
Licht over zijn stuur gebogen fietste Brent verder. De geur van stad en regen hing nog in de straten. De wielrenner in Brent nam risico’s in de vochtige bochten, reed door rood en fiets2ging op de pedalen staan. De tas aan zijn stuur was stom. Het leek nog niet op een wielrenner.
Brent zette zijn fiets tegen het hekwerk van het gebouw waar zijn vader werkte. Een grote grijze muur met allemaal dezelfde vierkante ramen. Waarom zou hij daar willen werken? Voor alle zekerheid zette hij zijn fiets op slot. Je weet nooit met dat soort gebouwen. Zijn rugzak liet hij onder de snelbinder zitten, daar zaten schoolboeken in, niets van waarde. Met het plastic tasje in zijn hand liep hij de paar treden van de betonnen trap op.
In de hoek van de grote hal zat de portier achter een glazen wand met een rond venstertje om in te praten. De man las zijn krant en hield ondertussen de aan en uit knipperende lichtjes op zijn balie in de gaten. Soms drukte hij op een toets omdat dat moest. Zo’n baan leek Brent wel wat. Hij wachtte geduldig op aandacht.
‘Zeg het eens kerel’ zei de portier terwijl hij één zijde van zijn krant naar binnen sloeg zodat hij precies langs de halve krant Brent aan kon spreken.
‘Mijn vader heeft zijn brood vergeten, meneer’
De krant werd in elkaar gefrommeld en in één beweging bracht de portier zijn leesbril van zijn neus weg, naar het borstzakje van zijn uniformcolbert.
‘En wie is je vader dan wel?’
‘Meneer Belser, mijnheer,’ zei Brent zeer beleefd, want zo niet, dan zou zijn vader dat zeker van de portier te horen krijgen; zo zag de man er wel uit.
‘En wat moet jij van meneer Belser?’
‘Ik heb zijn boterhammen mee genomen mijnheer,’ en ter bevestiging hield hij de plastic zak omhoog.
‘Ha, nu zie ik het. Je bent er inderdaad een van Belser. Het is je grote mond die je verraad. Wacht maar, dan zal ik die vader van jou eens bellen.’
De schrik sloeg Brent om het hart. Wat een toon, zeg. Zou hij de portier moeten vragen het wat rustiger aan te doen? Hij wist zeker niet dat zijn vader kwaad was en dan hoefde je niet met grappen aan te komen. Direct komt hij naar beneden en wat moet ik dan zeggen?
Vergenoegd en glimmend van humoristische voornemens hield de portier de hoorn aan zijn oor. Het duurde even.
‘Ja hallo met Leusdijk, is Belser al boven? ……Geef hem eens even.’
Met zijn hand de hoorn afdekkend vroeg hij aan Brent of hij hem zelf nog wilde spreken. Verrast door die mogelijkheid schudde Brent zijn rood aangelopen hoofd en zei: ‘ Dat is niet…’
‘Mogge Belser, heb je de slaap uit kerel?……………………zeker weten?…………….niets vergeten?………Nee, ha,ha, dat bedoel ik niet……neen, jij hebt moeders zorg thuis laten liggen, gesmeerd en al,………ja, je zoon staat hier beneden met je boterhammen……….oh, ik dacht even dat je misschien een afspraakje had om uit eten te gaan tussen de middag………..nou je hoeft niet zo aangebrand te doen, dat jong is speciaal voor jou nog langs komen fietsen………natuurlijk, dat gaan we doen en goed je best doen vandaag hè.’
Leusdijk legde de hoorn neer, drukte op een knopje en keek Brent – die het er warm van had gekregen- triomfantelijk aan.
‘Die vader van jou heeft zijn beste been zeker nog in bed liggen, hè?’
‘Ja, mijnheer,’ hield Brent zijn beleefdheid vol. Hij was ontsteld, zo sprak je niet tegen zijn vader. En ook niet over hem. Was de portier dapper of stom?
‘Geef maar hier die broodjes’ en Leusdijk stak zijn hand door het spreekgat, bedacht zich, trok zijn hand terug, stond moeizaam op en waggelde zijn loge uit.
‘Zo, dat gaat wat makkelijker,’ mompelde hij tevreden over zijn initiatief.
Brent overhandigde hem de plastic zak met boterhammen. Boterhammen gesmeerd met zorg en angst. Hij vond het niet erg om ze af te geven.
‘Die komt hij vast wel halen en tot kijk maar weer, kerel, bedankt namens je vader.’
De portier stapte zijn hok weer in en plofte in zijn draaistoel. Hij pakte zijn krant en sloeg de kreukels eruit, pakte zijn bril en las verder. Zonder op te kijken stak hij nog even zijn hand op.
Opgelucht zei Brent: ‘dag mijnheer,’ liep de hal uit naar zijn fiets, naar school. Het hachelijke karweitje was gedaan, hij kon weer verder.

One thought on “Boterham met zorg”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *