Hotel Fortuna

“En aan het strand verdomd veel zand.” Als een getijde golf was het liedje van Jaap Fisher bij Erik in het hoofd gerold en was er niet meer uit te drijven. Hij kende de tekst woord voor woord, al vierenveertig jaar, en gewilloos zong hij in gedachten mee. Alleen bij het “Zeeland, recreatieland” veroorzaakte zijn geografische werkelijkheid een aarzeling. Hoe kwam hij in Godsnaam op het Veerse gat? Het moest van de uren zwalken over het strand tussen Fano en Ancona komen. De eindeloze zandvlakte die hij aan het afgrazen was, had hem een muzikale verrassing uit het verre verleden bezorgd.

Vanmorgen om tien uur ter hoogte van Senigallia was Erik verder gegaan, waar hij gisteren bij het vallen van de avond was geëindigd. Eergisteren had hij bij Marotta gezocht en de dagen daarvoor bij Fano en Torette. Het strandzand was de afgelopen dagen niet uit zijn schoenen geweest. De stranden waren, ten onrechte vond hij, maar wel des te beter, buiten het zomerseizoen grotendeels verlaten. De strandtenten en kleedhokjes waren als kleine proefprojecten van Christo in plastic verpakt, de bijhorende stoelen stonden geketend op elkaar gestapeld en de douches calda en freddo waren vakkundig afgekoppeld. Hotel Diana, de Ritz en bar Ziggli lagen er, zoals praktische alle zomerverblijven, verlaten bij. Leeg beton met dichtgetimmerde zee uitzichten. Geen toerist of Italiaanse zonaanbidder was meer te bekennen. Een paar Italiaanse mannen of vrouwen die nog naar vongoles aan het zoeken waren, vergezelden de sportieve wandelaars die op hun beurt bewonderend naar de groepjes stoere kite-surfers keken. Daartussendoor liep Erik, het hoofd gebogen en de ogen speurend over het schelpenstrand. Ja, het schelpenstrand, want daar alleen kon hij zijn schatten vinden. Niet gelijk aan de rand waar de Adriatische zee de zwaardere rotzooi van de mensen terug het strand op smeet, maar op de tweede rang, iets verder het strand op, waar het lichte spul bleef liggen. Soms liep hij tegen de stank van een aangevreten vis of dode zeemeeuw aan. Onverstoorbaar zong hij verder: ”..de vissers op het wandelpad, zij krabben stug hun…”

De eerste dag had een goede oogst opgeleverd, de tweede en de derde dag wat minder, maar vandaag had hij zich niet vaak hoeven bukken. Hoewel slechts een glinstering, een diepe kleur groen, of bruin, meteen de aandacht van Erik trok. Die dagenlange alertheid had zijn brein getraind en als zijn ogen achteloos een groene of bruine kleur negeerden, dan verstilden de hersens zijn bewegingen en dwongen hem tot nader onderzoek. Niet ten onrechte, want bij nader inzien kon hij nu en dan een mooi exemplaar in zijn zak steken. Een tweede gevolg van zijn dagenlange zoektocht was een aanhoudende neiging, zelfs een obsessieve dwang om te zoeken. Zoals iemand die dagenlang het onkruid uit zijn tuin heeft moeten trekken, bij zijn wandeling in het park ook een aanzet voelt om het plantsoen van de zo bekende plukjes onkruid te ontdoen. img_1008Van al dat ingespannen turen naar de schelpjes en het zand, had Erik om het half uur een akelige kramp in zijn nek opgelopen. Regelmatig moest hij zich ertoe zetten de verte van de zee of het oneindige van de horizon te bewonderen. Je zou zeggen, dan doe je dat toch, maar zo gemakkelijk was dat niet. Ongemerkt werd zijn aandacht toch weer naar het strand getrokken en eenmaal daar met zijn ogen aangekomen, was het zo weer zoeken geblazen. Erik ergerde zich aan die dwang en als het hem te gek werd gaf hij zichzelf nog een half uur en dan moest hij van het strand vertrekken. Zo zat de surveillant van heel veel grenzen in zijn eigen hoofd.

Door het zoeken had Erik ook een nieuwe hoop ontwikkeld. Wie klein zoekt hoopt altijd op een grote vangst. Een arm mens zoekt naar verloren kleingeld. Kan hij dat niet vinden dan hoopt hij op een briefje van honderd en zoekt verder. Het is de basis van de loterij: ‘de hoop van de armoezaaier,’ typeerde Eriks vader. ‘Hoe minder prijzen je gewonnen hebt, hoe sterker de hoop op één, hele grote prijs.’ En zo verging het Erik ook die dag. Hij had nauwelijks iets gevonden, maar hij gaf niet op. Stel je voor, misschien kwam hij wel een verloren juweel tegen of een gouden ring. Erik was op zoek naar zeeglas, glad en rond geslepen, maar misschien vond hij de diamant van zijn leven wel. Dat zou toch kunnen, dacht hij en meteen daarachteraan: maar dan wel voor ik bij Hotel Fortuna ben, want daar ga ik van het strand af. Dan is het mooi geweest voor vandaag.

Een gedachte over “Hotel Fortuna”

  1. Hoi Michiel
    Wat een fantastisch verhaal!
    De zoektocht van Erik wordt bijzonder beeldend en “fijnbesneden” neergezet.
    Met plezier gelezen.
    Groet
    Felix

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *