mijn steun en toeverlaat

‘Zeg gasten, waar zitten jullie momenteel?’
‘Bij het Mirandabad, centrale.’
‘Dan mogen jullie mevrouw Wilking van de Vrijheidslaan 98 twee, voor revalidatie naar Vreugdenhof brengen.’

Mensen houden niet van stilstaande ambulancewagens voor hun deur. Dat maakt ze nerveus en argwanend. Alles met een zwaailicht en sirene hoort met spoed onderweg te zijn. Daarom eten wij vaak aan de Amstel. De boterhammen zijn op en Hugo en ik zijn gevonden door de alwetende centrale.

‘Gaan we doen, Joris,’ zeg ik door mijn GSM.

Terwijl ik mijn thermoskan dichtschroef, drukt Hugo zijn sigaret uit. Hij zwaait wat in het rond om de sigarettenrook weg te jagen. In diensttijd mag je niet roken, maar Hugo zegt dat hij het nodig heeft. Ik vind het goor. Hij kan niet goed tegen de ellende die wij vervoeren. Niet te geloven dat hij vroeger taxichauffeur is geweest, zo zorgzaam en aardig is hij voor de patiënten. En dan zal Ik hem zijn sigaretje afnemen?
Ik rook niet, maar een pot met drop helpt ook. Hoewel ik ’s nachts weleens een heftig ritje over doe, houden grappen mij overdag op veilige afstand van te veel inlevingsvermogen.

Precies acht minuten na de oproep staan we bij mevrouw Wilking voor de deur. Veel te vroeg natuurlijk.
‘Snel een sigaretje?’ vraagt Hugo.
‘Doe maar niet, man. We zien wel hoe ver mevrouw is.’
Wij stappen uit, lopen naar 98 en ik bel op tweehoog aan. Er wordt niet meteen opengedaan. Ik kijk langs de gevel naar boven.
‘Wist jij dat het hier vroeger Stalinlaan heette?’ vraagt Hugo.
‘Ja’ antwoord ik, ‘maar het fijne weet ik er niet van. Bel nog eens aan’
Hugo pakt de koperen deurknop, duwt ertegen, probeert eraan te draaien en belt opnieuw aan.
‘Heeft met de inval in Hongarije te maken,’ zegt Hugo en draait zich om, want de deur wordt van het slot getrokken.
‘Ga jij maar eerst’ zegt Hugo en ik stap naar binnen.

‘Ziekenvervoer,’ roep ik naar boven, staande op de eerste traptree. Hugo sluit de deur achter ons.
‘Bent u het broeder?’ vraagt een licht wanhopige stem van tweehoog naar beneden.
Hugo en ik kijken elkaar aan en zonder lachen roep ik terug: ‘Nee mevrouw, hondenbelasting.’
Na een kort moment van mogelijke bezinning roept mevrouw: ‘Komt u maar boven, broeder.’ Mevrouw Wilking laat de grap beleefd aan zich voorbijgaan.
In het trappenhuis is het donker en het ruikt naar kattenpis. De trap is steil en smal. Het lampje op de eerste overloop brandt niet. De lichtknop is moeilijk te vinden en als ik er eenmaal op gedrukt heb, blijkt het ding kapot te zijn.
Verder gaat onze opgang naar mevrouw Wilking. De stank wordt scherper en slaat op de keel. De deur van de woning van mevrouw Wilking staat gastvrij open. Zijzelf is nergens te bekennen. Een veel te mooie hanglamp van Muranoglas brengt kleurig licht in het halletje.
‘Doe de handschoenen maar aan,’ zegt ik tegen Hugo. Als kwieke zorgcowboys trekken wij onze blauwe latex handschoenen uit de achterzak en steken er onze handen in.

Vanuit de woonkamer hoor ik mevrouw weer vragen of wij ‘de broeder’ zijn.
‘Helemaal uit Amsterdam gekomen, mevrouw Wilking.’
‘Oh, ik ben zo blij dat u er bent. Ik wacht de hele morgen al. Ik heb gebeden dat u gauw zal komen. Ik heb u zo nodig. Waar bent u al die tijd geweest? Waar is mijn steun en toeverlaat?’
Voorzichtig gaan wij de woonkamer binnen. De gordijnen zijn dicht en een antieke schemerlamp verlicht naar beste kunnen de bedompte huiskamer. In de hoek van de kamer staat een televisie: beeld aan, geluid uit. Het deftig meubilair staat er verwaarloosd bij, alsof het achteloos is achtergelaten. Op de vloer liggen Perzen, waarvan de motieven zijn verdwenen onder vuiligheid. In het midden van de kamer, bij de tafel, staat vergroeid met haar looprek mevrouw Wilking.
‘Goed dat u met twee bent. Ik moet namelijk gedragen worden. Ik heb niet voor niets gewacht. Maar voor nu zoek ik mijn steun en toeverlaat,’ zegt zij zenuwachtig.
Aan de muren hangen foto’s, schilderijen en antieke spiegels. Aan de gore stank valt niet te ontsnappen. Hugo jaagt een kat van tafel en overziet het schimmelig palet van rottende etensresten.
‘Niet te filmen,’ is zijn beknopte commentaar.
Hugo loopt naar een statief lamp, doet de stekker in het stopcontact en bekijkt op zijn gemak, als was hij op een fototentoonstelling, dus met de handen op de rug, de prenten aan de muur. ‘Heeft u de foto’s gezien, broeder. Heeft u mijn zoon bij de Heilige Vader gezien? Waar is nou toch mijn steun en toeverlaat?’

Dan duwt mevrouw Wilking haar kont naar achteren, gaat in spreidstand in haar looprek staan en slaakt een hopeloze zucht. Langs haar benen, nog vertraagd door de stof van haar kousen, sijpelt de urine op de toch al geteisterde vloerkleden.
‘Heb je dat gezien Giel, er hangt hier inderdaad een foto van de Paus. Er ligt een volwassen vent voor hem op de knieën. ‘Is dit uw zoon op deze foto, mevrouw Wilking?’
‘Zeg Hugo, kun je even assisteren?’ zeg ik met een flinterdun verwijt in mijn stem. Hugo maakt zich los van de fototentoonstelling en ziet mevrouw Wilking in de verstilde ontreddering van haar geknoeide plas staan.
‘Hè, mevrouw Wilking,’ zegt Hugo teleurgesteld, alsof we net de boel schoon hadden.
‘Ik moet mijn steun en toeverlaat hebben?’ Met haar looprek maakt zij een pirouette en schuifelt weg. Na drie stappen staat zij stil:’ Alleluja, daar ligt zij, mijn steun en toeverlaat,  mijn vod, mijn lot.’
Hugo en ik kijken naar de plek waar mevrouw Wilking haar vod heeft teruggevonden. Als een frommeltje in elkaar gevouwen ligt daar het smerige ding.
‘Dat is een vieze dweil, mevrouw Wilking,’ moet ik zo nodig zeggen.
Maar mevrouw Wilking straalt en lacht. Zij is blij en lijkt weer wat completer. Maar er is ook spijt:
‘Ik heb haar laten liggen en veronachtzaamd. Ik mag dat nooit meer doen. Ach broeder, zou u haar even aan de stang van mijn looprek willen hangen?’
Zij kijkt daarbij gelukkig naar Hugo. En Hugo zou Hugo niet zijn als hij dat zou weigeren.
Tussen duim en wijsvinger, beschermd door de latex, pakt hij de dweil op, pakt met de ander hand de andere punt en hangt de dweil in een nat vierkant aan de linkerkant van het looprek. Blij dat hij van het stinkende vod af is, blaast hij met bolle wangen uit.
‘Nee broeder niet daar. Graag aan de andere kant.’
‘Ja, dat is natuurlijk niet de goede kant Hugo. Een steun en toeverlaat hangt altijd rechts. Dat je dat niet weet,’ zeg ik.
‘Maar natuurlijk mevrouw Wilking. U zegt het maar,’ en Hugo pakt de dweil van het rekje, en hangt het aan de rechterkant van het looprek.
Weer verenigd met haar dweil loopt mevrouw Wilking terug naar waar zij heeft geplast. Daar schudt zij de dweil op de grond en met de rechter poot van het looprek drukt zij het vod in de natte plek. Een beetje vinnig wrijft zij vervolgens flink heen en weer. Het looprekje kraakt ervan.

Hugo en ik aanschouwen de zelfredzaamheid van mevrouw als betreft het een onnavolgbare actie van Johan Cruijff. Op de een of andere manier raken we een beetje gewend aan de vreselijke stank, de walging is er wel af, ergens groeit bewondering.looprek
Inmiddels is mevrouw Wilking bij haar sta-op-stoel gekomen en vraagt: ‘Mag ik nog even zitten broeder?’
‘Hoe laat verwachten zij u op Vreugdenhof, mevrouw?’
Met een diepe zucht gaat mevrouw Wilking zitten.
‘Oh dat spijt mij, ik ben helemaal vergeten u een kopje koffie aan te bieden, heren.’
‘Rust u maar even uit, mevrouw. We hebben net koffie gehad,’ zeg ik.
‘Zou ik hier een sigaretje mogen opsteken, mevrouw?’ vraagt Hugo.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *