Chaos

Ik ben 68 jaar en kerngezond. Dat laatste is niet waar. Ik ben juist in de kern niet gezond. Aan mijn kern mankeert van alles en verschillende keren hebben daar al reparaties plaatsgevonden. Dat is helemaal niet erg, want als de buitenkant nog goed intact is kun je nog zeker twintig jaar mee. Dat zie je maar aan mijn vader, zijn kern was al rot toen hij 18 was en hij werd uiteindelijk zesenzeventig. Er valt voor mij dus nog heel wat lol te beleven. Tenminste als ik niet bij de pakken neer ga zitten of zo angstig word dat ik de deur niet meer uit wil. Zo’n periode heb ik weleens meegemaakt. Ik woonde met mijn vrouw Emma in Amsterdam en elke straat of dwarsstraat, steeg of pad joeg mij angst aan. Heel die angst7ruimte, al die leegte, was te groot. Op pleinen, wegen, lanen en boulevards begaf ik mij sowieso al niet. Toen ook de mensen mij angstig maakten en ik mijn vrienden van de straat ontliep, ben ik maar thuisgebleven. Vervolgens verloor ik in luttele dagen ook mijn thuis. Ons huis deugde van geen kanten meer. De gemoedelijke sfeer in de woonkamer werd grondig verpest door de loerende tv, die maar niet uitgeschakeld raakte. Ik deed de knop wel tien keer aan en dan weer uit zonder enig effect. De stekker trok ik uit het stopcontact en toen dat nog niet hielp, heb ik het kreng uit het raam moeten gooien. Emma vond dat niet leuk, maar zij kon het wel begrijpen, had zij gezegd. In de keuken was het volkomen chaos. Wel vijf keer op een dag moest ik alle potten, pannen, borden, kopjes en schoteltjes op hun plaats zetten. Steeds waren zij verschoven. En door wie? Het zal onze hond wel geweest zijn, zullen we maar zeggen. Ik heb weleens gehoord van mensen die aan een dwangneurose lijden, dat zij alles in één rechte lijn willen hebben, als soldaten in perfect gelid, maar dat lijkt mij niets voor mij. Ik doe liever niets, dan dat ik wat móét doen. Al met al maakte de hele situatie mij onrustig en angstig, dus bleef ik in mijn studeerkamer, waar Emma mij bediende en geruststellend toesprak. Hoewel dat heel lief is, irriteerde mij dat ook. Niet mateloos, maar toch. Om te voorkomen dat ik bang zou worden van mijn vrouw, dat zou zij niet verdienen, ben ik naar de zolder verhuisd. Tussen planken en gevonden schroeven en moeren, in gezelschap van dertien hamers, drie knijptangen, drie zagen, waarvan één elektrisch, liefst achttien schroevendraaiers, waarvan zeker vijf met kruiskop, twee waterpomptangen en vier combinatietangen, slechts één bahco, een opklapbaar kampeerbed en een grote houten werkbank, alsook een boekenkast vol met boeken, voelde ik mij rustig worden. Mijn lieve vrouw bracht mij driemaal daags een lichte maaltijd en een kopje koffie in de avond, anders kon ik niet in slaap komen. Gelukkig was er water op de zolder, evenals een dakgoot waarin ik mijn urine kwijt kon. Aan andere behoeften, veel had ik er niet, kwam ik toe in de uren dat mijn vrouw naar haar werk was. Als een dief sloop ik ons huis dan in, deed wat ik moest doen en kroop als een geslagen hond mijn zolderhok weer in. Zeven weken heb ik zo geleefd, gelezen en gedroomd. Toen kwam de dokter naar de zolder toe. Hij wilde eerst graag met mijn vrouw alleen spreken. Een beetje achterdochtig was ik wel, maar bij zo’n omstandigheid moet je niet te lang stil blijven staan. Samen hebben zij verteld wat beter voor mij was en hoe ik zo ver kon komen. Dezelfde dag nog had ik pillen in mijn hok die ik elke dag moest slikken. Na vijf dagen heb ik de zolder en mijn angsten achter mij gelaten en woonde weer, naar ons beider genoegen, samen met mijn vrouw. Ik kon gewoon de straat weer op en in plaats van ze te mijden sprak ik mensen weer aan. Dat was niet voor niets, want ik had nog zeker honderd slaap- en kalmeringsmiddelen over, waarvan ik het doodzonde vond ze door de wc te spoelen. De huisarts die ‘er de voorkeur aan gaf even met mijn vrouw onder vier ogen te praten’ had mij pillen voor wel tien jaar slapen voorgeschreven. Ik moet daar niet te lang bij stil blijven staan. Voordelig was het wel. Het is verrassend hoeveel mensen op straat rondlopen, die voor een zacht prijsje zo’n kalmeringsmiddel wel willen hebben. Ik heb de pillen verkocht en zie het als mijn bijdrage, gesponsord door het ziekenfonds, aan een rustiger leefklimaat in de grote stad. Helemaal de oude voelde ik mij nog niet dus vond ik de verkoop van het laatste doosje pillen nog het moeilijkste. Je weet niet wat er nog te gebeuren staat. Je zal het altijd zien: dan heb je je laatste pillen verkocht en prompt word je weer angstig, je weet het immers nooit. Zo gaat het bij zoveel dingen die je weggooit. Ik heb die ervaring vooral bij gereedschap of bij rubber ringetjes, dus die gooi ik niet meer weg. Als ik helemaal eerlijk zou zijn, dan zou ik nu moeten zeggen dat ik die ervaring ook met meisjes heb. muppetJuist als ik haar heb weggedaan, mis ik haar enorm en heb ik haar heel erg nodig. Maar zo praat je niet over meisjes. Althans niet over mijn meisjes, die waren stuk voor stuk gemaakt om heel lang lief te hebben. Alleen zo’n idioot als ik, een vent die steeds maar denkt niet goed genoeg te zijn, eigenlijk voor niemand niet, maar vooral niet voor het meisje van zijn dromen, zo’n zot loopt van zijn meisje weg. Nou goed, ik deed dat altijd in een slechte periode, maar mag dat een excuus zijn? Mag je de liefde die je tegemoet komt waaien, ontwijken omdat je in een depressie bent geraakt? Hoe wist Emma doordat cordon sanitaire heen te breken? Ook nu ik weer gezond bent weet ik geen antwoord op die vragen. Ik wil maar zeggen: ik moet erg op mijn tellen passen, want de angst ligt altijd op de loer. Zoiets wil ik niet nog eens meemaken, liever ga ik nog zeker twintig jaren mee.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *