Drie keer toeteren

Het was een van de zeldzame keren dat ik samen met collega Farley in Amsterdam-Noord reed. Farley was al 23 jaar ambulancechauffeur en Noord kende hij beter dan zijn broekzak.

Anneloes en Siebren Wiersma stonden al op de stoep van de Adelaarsweg te wachten. Dat was maar goed ook, want Siebren Wiersma kon geweldig uit zijn slof schieten als zijn vrouw hem niet op tijd klaar had. Dan vloekte en tierde hij tegen haar en als ze niet oppaste kon zij een soejang krijgen. Maar dit keer leek zij er zonder kleerscheuren van af te zijn gekomen. Anneloes leidde haar man onder de oksel en Siebren hield krampachtig een wandelstok in zijn rechterhand geklemd. Beiden probeerden de val die in elke stap van Siebren verscholen zat, te ontlopen.

‘Een goedemorgen,’ zei ik monter, toen ik uit de auto stapte en op het echtpaar toeliep. ‘Fijn dat jullie er zijn,’ zei Anneloes opgelucht en bood mij haar man aan. Ik nam zijn vochtige oksel over en zij probeerde haar arm wat te ontspannen. ‘Zullen we naar de auto lopen, meneer Wiersma?’ vroeg ik. Zonder een antwoord, maar met stugge vasthoudendheid schopte Siebren zijn onwillige benen een voor een naar voren. Naar links, naar rechts, het leek wel schaatsen op een baan van twee stoeptegels breed.

Ondertussen was Farley ook uit het busje gekomen. Hij gaf Anneloes een zoen op haar wang, liep naar Siebren en mij toe en gaf hem een bemoedigend klopje op zijn schouder. Siebren schudde onwillig zijn hoofd. Onder zijn oksel voelde ik dat hij meer verlangde van zijn lijf, maar slechts een nurks gebrom werd hem gegund. Misschien beviel de kus van Farley hem niet, of was dat meer wat ik dacht? Terwijl ik Siebren de auto in hielp, wat nog een riskant karwei was vanwege de ongecontroleerde bewegingen die zijn lichaam maakte, stond Farley nog met Anneloes te praten. Het was haar aan te zien dat zij zware tijden doormaakte. Farley wist haar nog een lachje te ontfutselen, maar die verdween al rap als een avondzonnetje in een zee van zorgen.

Toen ik mij voor Siebren langs boog om de autogordel te pakken, greep hij mij vast en trok mij naar zich toe. Ik kon mij nog net van zijn schoot houden toen hij siste: ‘Farley is een schoft, mijn vrouw is niet te vertrouwen en hoe zit het met jou?’ Ik trok de gordel uit de rol en gespte Siebren vast. ‘Nou meneer Wiersma,’ zei ik ‘dat is ook niet aardig.’ Siebren keerde zich onmiddellijk van mij af. Quasi geïnteresseerd keek hij langs mij heen naar Anneloes en Farley. Oppassend voor mijn hoofd, stapte ik achteruit de auto uit. In het voorbij gaan hield ik nog even de knie van Siebren vast en schoof toen de deur dicht. Op straat rechtte ik de rug.

‘En gedroeg hij zich een beetje?’ vroeg Anneloes. ‘Ach, het ging allemaal best, maar hij is wel erg verkrampt en humeurig,’ antwoordde ik. ‘Wil je geloven dat Siebren tot een jaar geleden nog een hele vriendelijke en zachtaardige man was?’ vroeg Anneloes. ‘Dat hoort bij de ziekte,’ verklaarde Farley ‘en dat wordt alleen maar erger.’ Anneloes zuchtte en knikte met haar hoofd dat zij dat ook wel wist. ‘We moeten gaan, Farley,’ zei ik. ‘Dag mevrouw Wiersma.’Farley legde zijn hand op de arm van Anneloes, zei iets tegen haar dat ik niet verstond en ging achter het stuur zitten. ‘Zit je goed, Siebren?’ vroeg Farley in zijn spiegel kijkend. Siebren gaf geen antwoord. Hij keek strak naar buiten. De auto startte, Farley zwaaide naar Anneloes en weg reden we.

Het was stil in de auto, naar ieders gedachten kon je raden, maar het waren er velen. Ter hoogte van het Kraaienplein sloeg Farley de Eksterstraat in, na honderd meter minderde hij snelheid, toeterde drie keer nadrukkelijk en reed via de Havikstraat naar de Meeuwenlaan. Bij het revalidatiecentrum stapten wij uit en hielpen Siebren naar binnen. Terug in de auto vroeg ik Farley wat dat voor vreemd gedoe was in de Eksterstraat. ‘Drie keer toeteren, waar slaat dat op?’

‘Luister’ zei hij met het gezicht van iemand die alles begrijpt, ‘Anneloes is een gezonde en aardige vrouw. Aan Siebren heeft zij niet veel meer, veel geven en heel veel incasseren, want naast de zenuwen en spieren is ook zijn karakter naar de kloten aan het gaan. Als Anneloes dat vraagt dan rij ik even door de Eksterstraat en toeter 3 keer bij nummer 25. Theo, die man woont daar, weet dan dat Siebren de rest van de middag op de revalidatie zit en hij kan dan naar Anneloes. Als wij de melding krijgen dat we Siebren weer op kunnen halen, bel ik Anneloes even op en kan Theo weer terug naar de Eksterstraat, snap je?’

One thought on “Drie keer toeteren”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *