Eikoerei

Eigenlijk was Palmpasen een leuker feest dan Pasen zelf. Het verhaal over de wederopstanding vond ik als kind wel spannend, maar het kon nooit echt gebeurd zijn. Hoe lief je ook bent, dood is dood en dan kun je niet meer opstaan. De voetwassing op witte donderdag was een beetje vies, vooral omdat het maar één keer per jaar gebeurde. Voorstelbaarder was het verraad van Judas. ’Zo lopen er nog veel rond,’ zei mijn vader. Ook bij de beklimming van Golgotha kon ik mij iets voorstellen. Al die mensen die schreeuwen en spugen en daartussendoor loopt Maria en Simon van ‘Sirene’ die Jezus helpt met het kruis dragen. Goede Vrijdag (hoezo goed?) vond ik heel eng met Jezus die door zijn handen getimmerd wordt en tenslotte met donder en bliksem aan het kruis doodgaat. Wat erg.
Het leukste aan Pasen was het paasontbijt en dan vooral het ongelimiteerd eten van het heerlijkste paasbrood dat mijn vader zelf bakte.

Nee, dan Palmpasen. Dat was een vrolijk feest met veel gezwaai van palmtakken, samen zingen en mooie Palmpaasoptochten. Hosanna! De intocht van Jezus, welkom, welkom. Hij moest eens weten wat hem nog boven het hoofd hing.

We waren een jaar of vijf en onze neuzen zullen waarschijnlijk nu nog op het etalageraam van de wijnhandel op de Middenweg te zien zijn. Echte kuikentjes liepen in de etalage over een trapje in en uit een reusachtig ei. Rood gloeiende lampen hielden de kuikentjes warm. Het was de eerste keer dat wij zulke jonge kuikentjes zagen en onze eigen kleinigheid versmolt met de zachtheid van de kuikens.

In de Paasoptocht liepen alle kinderen van school mee die een palmpaasstok hadden gemaakt. De stok bestond uit twee, liefst ronde latjes, die in een kruis waren samengebonden. Het hart van het kruis kon een rond broodje zijn en bovenop moest in ieder geval een broodhaan staan. De stokjes kon je omwikkelen met crêpepapier, versieren met slingers, leeggeblazen eieren, rozijnen en pinda’s. Buxustakjes haalden we uit de tuin van de buren en staken die waar het ons mooi leek. Mijn vader bakte een prachtig gevlochten rond broodje en een kloeke broodhaan. Allebei glommen zij van het eigeel. Kleine kunstwerkjes waren het, waaraan mijn vader uren werk had gehad.

Mijn zusje en ik hadden de taak de palmpaasstok naar ons bewaarschooltje in de Laing’s Nekstraat te brengen en vandaar met de klas over het kippenbruggetje naar de Bessemerstraat, waar op de eerste verdieping van een soort fabrieksgebouw een noodkerk was ingericht. Die tocht moest heel voorzichtig gemaakt worden, want de volgehangen palmpaasstok was zwaar en kwetsbaar. We waren als de dood dat er iets kapot zou gaan of dat de haan van zijn stok zou vallen. Nog erger: een van de grote jongens van de Leonardusschool zou de haan wel kunnen weg grissen. Je moest er niet aan denken.
“Palm palm Pasen, ei koerei, één ei is geen ei, twee ei is een half ei, drie ei is een Paasei.” Aan zingen kwamen wij niet toe, we hadden wel iets anders aan ons hoofd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *