Mevrouw Desmet komt terug

Die eerste keer dat ik bij mevrouw Desmet thuis kwam, zat zij ineengedoken in haar relax-en-sta-op stoel. In haar woonkamertje hing een penetrante lucht. Ik herkende die geur. De sleetse gordijnen waren half gesloten. Het licht deed alle moeite om naar binnen te komen, meer dan een bundeltje dwarrelend stof werd het echter niet. Overal lag rotzooi: etensresten, lege flessen, verkreukelde zakdoekjes, oude kranten en dingen die ik niet kende. Binnen handbereik stond een glas troebel water op een brocante tafel, met daarnaast een flesje Boldoot eau de cologne. Mevrouw had haar looprekje strak naast haar stoel geparkeerd, maar ondanks dat was zij, afgaand op de uitgebeten vlekken in de houten vloer, vaak te laat bij het toilet. Aan de onderste stang van het rekje hing, als een krachtige geurvlag, een versleten vochtige dweil. ‘Voor de ongelukjes’, vertrouwde zij mij later toe.

 

De instelling waarvoor ik werk probeert de eenzaamheid van mensen te verzachten. Zelf ben ik ongeschikt voor eenzaamheid: ik sta er niet bij stil, over mijzelf denk ik niet na, ik ben gevuld met energie en vrolijkheid, de hele dag zou ik wel willen spelen. Ik ken de mensen en de mensen kennen mij en anders dan zorg ik daar wel voor. Eenzaamheid kan ik herkennen, begrijpen, doe ik het niet. Alleen, dat ben ik regelmatig, maar mevrouw Desmet, dat was andere koek, die was eenzaam. Daar was geen ‘gevalideerde eenzaamheidsschaal’ voor nodig, dat kon je zo zien. Zij was langzaam aan het verdwijnen. Het was alsof zij door het ijs zakte: eenmaal in het ontstellend koude water, wilde zij zich overgeven, geen weerstand meer bieden. Ze wist dat het haar dood kon zijn, maar wel een heerlijke zorgeloze dood. Toch zou één handreiking voldoende kunnen zijn om mevrouw Desmet nog uit het wak te trekken.

Nu kwam het erop aan. Vier maanden training moesten zich gaan uitbetalen. Instructeurs en begeleiders hadden mij van alles bijgebracht. Braaf heb ik hun opdrachten uitgevoerd, negenennegentig keer herhaald en met evenveel plezier de honderdste keer opnieuw gedaan. Nog een korte stage gedaan, in mijn geval bij een jonge vrouw die zich totaal vergeten voelde, en uiteindelijk met trots mijn certificaat gehaald.

Samen met mijn begeleidster stapte ik bij mevrouw Desmet de kamer in. Ik moest haar voor mij winnen, anders zou zij verder wegzakken in haar apathie. Na een eerste verkenning van de omgeving gaf ik een bescheiden blafje af en dartelde langs mijn begeleidster naar mevrouw Desmet toe. Ik ging een half metertje van haar af zitten en keek haar welwillend en vol verwachting aan, klaar om haar verwarde blik te beantwoorden met onbekommerde vrolijkheid. Voorlopig bleef zij nog een beetje suffen. Er moest een schepje bovenop. Ik kwispelde met mijn staart, boog mijn kop voor haar en piepte om haar aandacht. Met grote wilskracht negeerde ik de geur van de dweil. Misschien dat geen mens het zag, maar ik voelde een beweging, een licht ontwaken. Het werd tijd voor lichamelijk contact. Met alle signalen die ik ter beschikking had, liet ik haar weten dat ik blij was bij haar te zijn. Ik snuffelde aan haar benen en schaamde mij niet om met mijn kop onder de zoom van haar jurk te neuzen. Mevrouw Desmet zat onder de interessante geuren. Ik wilde meer en op mijn achterste poten staand, legde ik mijn kop op haar schoot en bleef geduldig wachten.

Haar stoel kwam langzaam overeind en nog half in haar eigen wereld schuilend, tilde mevrouw Desmet haar hand op en aaide teder over mijn kop.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *