Plannen

Als personal manager van de bestuursvoorzitter van het energiebedrijf Electron had Lina een agendarijk bestaan vol met regelzaken en zorgtaken. Vakanties waren de korte periodes dat zij aan zichzelf mocht denken. Doen waar zij zin in had.
Arno kon zich geen andere vakanties herinneren. Hij was gewend Lina te volgen. Met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee meneer Donkers al jaren haar aandacht opeiste, schikte hij zich in de uitgekiende vakantieprogramma’s van zijn vrouw. Die paar weken verlossing gunde hij Lina. Haar sleutelwoorden voor een goede vakantie waren: musea en concerten, mooie historische steden en uitgelaten evenementen. Voor Arno betekende vakantie nietsdoen, lezen en lekker eten en drinken. Liefst aan zee. Soms kwamen zij in de buurt van dat plaatje en daar deed Arno het dan mee.
Lina zag geen reden haar voorkeuren meer op Arno af te stemmen. Zij hield ontzettend veel van hem en uit niets bleek dat Arno dat niet van haar deed. Er zijn nou eenmaal mensen die het leven graag op zich af laten komen, redeneerde zij, terwijl anderen het naar hun hand kneden. Arno behoorde duidelijk tot de eerste groep. Zo was dat bij de keuze voor een restaurant, de wijnkeuze, een film of theater en ook bij het vrijen gaf zij vaak de voorzet.

Misschien was het de opmerking van zijn dochter: ‘….. en jij doet altijd alles wat mam wil.’ Zij had het hem min of meer verweten en dat stak Arno. Het raakte hem als man. Het jeukte aan zijn ego en hij wilde direct flink krabben. Hij kende dat soort types: braaf achter de vrouw aan, aardig en behulpzaam, maar ook zijen sokken. Zo wilde hij niet zijn.
‘Nou, ‘altijd alles’ is overdreven, maar misschien zit er wel een kern van waarheid in,’ antwoordde hij. Tegenspreken wilde hij zijn dochter niet, maar hij nam zich voor, om te beginnen, dit jaar de vakantie zelf vorm te geven.

Lina had gekleurd van oor tot oor. In het functioneringsgesprek had meneer Donkers haar werk en toewijding geprezen, maar tegelijkertijd haar wens om alles onder controle te hebben en te houden bekritiseerd. ‘Soms, voel ik mij net een kleine jongen die van hot naar her gestuurd wordt door zijn moeder en voortdurend onder haar controle staat,’ zei hij onverwacht openhartig.
‘Meent u dat?’ kon zij slechts zeggen.
‘Doe ermee wat je wilt, misschien is het wel mijn probleem, wie weet, maar ik wilde je het toch een keer zeggen.’
Lina had erover nagedacht. Zij hoefde niet aan Arno te vragen of hij dat herkende. Dat dominante trekje was haar maar al te bekend. Misschien moest zij meer op anderen vertrouwen en het maar laten gebeuren?

In april, temde Lina de verleiding om van al haar leuke vakantie ideeën, subtiele suggesties voor Arno te maken.
Meneer Donkers had gevraagd wanneer zij haar vakantie had gepland en met veel moeite perste zij eruit dat nog niet te weten.
‘Alles goed, Lina?’ vroeg meneer Donkers.
Lina was benieuwd of Arno zou wachten tot zij met een voorstel kwam. Ik zal het wel zien, dacht zij, maar eerlijk gezegd was zij er niet gerust op. Spannend was het wel, want het kon ook zo maar te laat worden om nog iets te regelen.

Het verwonderde Arno dat zelfs tot in juni Lina geen woord had laten vallen over de vakantie, maar hij weigerde zich te laten kennen. Misschien had Lina haar gedachten er niet helemaal bij. Te druk op het werk, te veel aan haar kop met de naderende onderhandelingen over de energieprijzen. De altijd drukke Donkers. Aan de andere kant was dat allemaal niet de eerste keer en alle voorgaande jaren had er allang een uitgewerkt plan op tafel gelegen. Zou Lina iets vermoeden? Zou Claris haar verteld hebben van hun gesprek? Zat zij te wachten op een initiatief van hem? Een paar keer had Arno wat waarderende opmerkingen gemaakt over vakanties in het verleden en Lina was daar enthousiast in mee gegaan, maar voor de rest had zij geen krimp gegeven. En hij ook niet.
Het ongewisse, dat als een veelbelovende parfum boven de aankomende vakantie hing, beviel hem wel.

Eind augustus, de meeste werkdrukte was voor Arno en Lina voorbij. Tegen Donkers had Lina gezegd dat het zoals gewoonlijk de laatste drie weken van september zou worden. Daar was zijzelf allerminst zeker van. Niet weten waar de stroom op uit komt waarop je moet mee varen, was voor haar een ongewone uitdaging. Tegenover Arno had zij daar niets van laten merken. Ze kreeg het er warm van, maar dat kon ook van de overgang komen. Het ergste wat zou kunnen gebeuren was dat zij nergens naar toe zouden gaan. Wel vakantie, maar niet weg. Hoe erg Is dat? vroeg Lina zich af en met het antwoord verdween ook de mogelijke opvlieger.

Arno was druk geweest en voelde de spanning stijgen. Hij had zich al een beeld gevormd van dat geweldige moment dat hij zorgvuldig had voorbereid. Hij had Claris in vertrouwen genomen en die zou voor een soepel verloop zorgen. Het moest volstrekt uit de lucht komen vallen. Zogenaamd geen plan, zogenaamd geen doel, zogenaamd niets.

‘Lieve Lina,’ zei Arno op maandagmorgen na het ontbijt, ‘wat zou je ervan zeggen om de boel te boel te laten en met mij op vakantie te gaan?
Lina keek Arno verrast en tot het diepste verliefd aan. Opgelucht en blij volgde zij Arno naar buiten en de frisse lucht rook naar vakantie.
‘Heb je alles?’ vroeg zij voor zij de deur dicht trok.
‘Ik hoop het,’ zei Arno en liet Lina in een speelse onzekerheid.
‘Paspoorten?’ probeerde Lina nog, want zij kon het niet laten. Arno moest lachen en hield het portier galant voor Lina open.
Zij stapte in de auto en Arno achter het stuur.
‘Wat mag ik intypen, schat,’ vroeg Lina.
Arno gaf haar een zoen en zei: ’tot aan Strasbourg is het zeker, daarna niet meer’ en reed weg van huis.

WEG

Tachtig verhuisdozen en 40 kuub spullen verder en 3 aanhangwagens troep lichter stonden Jac en Anja in hun ontzielde woonkamer. Alles was verdwenen, niets dan ruimte was achtergebleven. Waarderend keken zij in het rond alsof zij op de open-dag van hun eigen huis waren beland. Ware het niet dat zij de eigenaars al waren, dan hadden zij zeker overwogen het pand te kopen, want door de leegte heen bleef het toch een heerlijk huis.

DSC_2523

De afgelopen vier weken waren zij bezig geweest met uitruimen, sorteren, inpakken en wegbrengen van alle spullen die zij de afgelopen 22 jaar naar hun riante hol hadden gesleept. Het meest verrassend kwamen de ruimtes voor de dag achter de knieschotten. Zij werden bevolkt door spul dat ooit het label ‘zet maar achter het schot’ had gekregen en daarna in de steek was gelaten. Het waren de weeskinderen van de gedachte dat het altijd nog van pas kan komen. Jac bewaarde alle snoeren, kabels en elektriciteitsdraden. Vele meters waren wit of op z’n hoogst in gebroken wit achter het schot terecht gekomen en kwamen nu vergeeld en verhard tevoorschijn. Als Jac een stuk draad nodig had, dan haalde hij een paar meter ‘schoon snoer’ zoals hij het noemde. Het eventuele restant rolde hij op, bond het netjes samen met één van de binders van de boterhammenzakjes en legde het achter het schot. “Heeft niemand last van,” zei hij als Anja bezwaren maakte tegen zijn bewaarzucht.

Anja op haar beurt had door de jaren heen haar quiltlapjes gesorteerd op kleur, op grootte, op textuur, op patroon, op land of cultuur (Staphorst of Marken: een wereld van verschil), op leeftijd, op geloof en feestdag, kortom op alles wat een analogie kon zijn. Het was al mooi dat al die duizenden stofjes in een van die tientallen plastic boxen zaten. Dat het label niet meer overeenkwam met de inhoud van de boxen, deerde Anja niet zo. Zij beweerde precies te weten wat zij aan lapjes in huis had en dus ook wat zij nog niet had. Doordat Jac dat niet kon geloven, noch tegenspreken groeide de hoeveelheid stoffen als de voorraad van een boekenwinkel.

Ook het verleden bleek zich schuil te houden achter de knieschotten. Boekjes, brieven, foto’s, platen, cd’s, dvd’s en zelfs bandjes. Spellen, poppen, instrumenten, onderwater gedoe, fitness spul, kampeergerei, een echte buizenversterker en nog prima Dual apparatuur, om maar te zwijgen van de welluidende Pioneer boxen. Het lag allemaal in een warme omhelzing van dekens, dekbedden, muggennetten en kussens die te hard of te zacht waren.

Onder het goed geïsoleerde pannendak konden de herinneringen nog jaren mee, maar de plannen van Anja en Jac verstoorden hun rust. Een voor een gingen de relikwieën door hun handen en werden bekeken, gelezen en beluisterd, gewogen en geselecteerd. Velen van hen redden het niet en werden afgevoerd, soms met spijt in het hoofd en pijn in het hart. Of toch maar bewaren? Echt zonde om weg te doen. Misschien heeft een ander er nog wat aan? Op marktplaats of naar de kringloopwinkel?

“Je wist niet eens meer dat we het nog hadden”, “We hebben het nooit echt gemist.” De wederzijdse pogingen om de ander te overtuigen van de waarde of de waardeloosheid was vaak doorzichtig en bedacht. Jac adviseerde Anja ‘los te laten’. En Anja vroeg steeds aan Jac of hij zich dat niet meer kon herinneren. Zij moesten alleen maar opruimen, maar het werd een worsteling met elkaar en zichzelf, met het verleden en de onzekere toekomst.

Een kwart van de spullen en wat er aan herinneringen aan vast zat bleek te dierbaar om te worden vernietigd. In koor riepen Anja en Jac dan: ‘niet gegund’ en dan moesten zij vreselijk lachen om hun overwinning op de vergankelijkheid. In enkele gevallen was pure liefde in het spel en dat was dan zo evident dat de een het voor de ander vanzelfsprekend vond dat dat bewaard moest worden. ‘En als we te weinig plaats in de box hebben, dan huren we er toch gewoon een boxje bij,’ kleineerde Anja met vertederende blijheid het dreigende ruimteprobleem.

Met dat en meer achter hun kiezen stonden zij daar in hun huis te wachten op de overdracht. Voor een heel jaar gingen zij de sleutels aan een ander geven. Toen zij hadden laten vallen dat zij hun huis wilden verhuren kregen zij de meest bizarre verhalen te horen: Van wietplantage tot porno-studio, van niet meer weg te branden huurders tot slopers en vandalen. DSC_2524Het viel niet mee om toch de plannen door te zetten en van het positieve uit te gaan. Gelukkig waren zij erin geslaagd om mensen te vinden aan wie zij graag wilden verhuren. Het wachten was op de makelaar en de nieuwe huurster.

Nog één keer maakten zij een ronde. Kijken of er niets vergeten was en niets was blijven liggen.

Jac en Anja waren klaar om te vertrekken. In de Achterhoek nog even uitrusten van de verhuizing en dan voor een jaar lang op reis. Eerst naar Arezzo in Italië en dan in januari naar Malaga, Zuid Spanje. Kijken hoe het leven daar is en hoe het daar leven is.

Drie dagen na het vertrek van Anja en Jac kwam het bericht over de aardbeving in Midden Italië. Halve steden en hele dorpen verwoest, honderden mensen dood en vele duizenden gewond en zonder woning.

‘Ache’

P1030440Mijn bestelauto staat geparkeerd op een rommelig bureaublad met boeken en boekjes, met pennen en potloden, naast een al even oud militair voertuig. Achter de bestelauto staat een computer, van waaruit de schilders het tableau bekijken. Een printer staat te wachten op opdrachten. Woordenboeken en schrijfwijzers rijden af en aan, terwijl Komrij’s Canon te rusten lijkt te liggen op een schapje. Een eenvoudig muismatje duwt vier velletjes A4 ter zijde.

Van de zomer, kort geleden, waren wij bij Irma, Henk en Jean te gast te zijn. Op hun prachtige boerderij La Lue in de Auvergne. Daar hebben zich alle herinneringen en genoegens van Frankrijk verzameld: een reis over wapperende linten weg, mooie natuur, goede wijn, heerlijke maaltijden, prettig gezelschap en sterke verhalen. Onverwachts waren daar ook nog brommende Solexjes, honderden oude olieblikken en tientallen zeer bejaarde Citroëns, Peugeots en Renaults bijeen. Een conservatoir van nostalgie.
Op de brocante in Agonges kocht ik een Citroën H.

Zo nu en dan pak ik hem met duim en wijsvinger aan zijn dakje vast en schuif hem voor en achteruit. Een heel klein stukje maar, om te kijken of hij nog rijden kan. Als ik een stilte heb of mijn gedachten stokken, dan schijf ik de zijdeur open en start mijn ‘patatwagen’. ‘Brummm, brummm’, wat loopt dat motortje nog prima. Scherp naar links de bocht om, waarna mijn linkerhand het overneemt en de bocht naar rechts verzorgt.
Met de matrassen achterin en de deurtjes open kan ik heerlijk slapen. Jongensdromen en jeugdherinneringen overschrijden ruimschoots het maximum laadvermogen. Uit de laadbak komt een warme lavendelgeur en de korenvelden wuiven in het voorbij gaan. Tijdpijn.
De kleine jongen speelt weer met zijn autootje. Zorgeloze energie.

Binnenkort vertrekken wij voor langere tijd, want de herinneringen komen steeds dichterbij. Nog even en ik heb ze weer.

Spullen

Ongelooflijk hoeveel rotzooi je in 20 jaar naar je hol sleept. Het is de hoogste tijd om de vrouw en mijzelf bij de haren te vatten en naar de volgende woning te slepen. Eindspullenelijk zal er dan opgeruimd worden. Kelder, zolder, kasten en laadjes, bergruimten, achter en voor de knieschotten, kisten en dozen, overal blijken wij zogenaamde ‘spullen’ te hebben. Handige spullen, maar ook -en veel- vergeten spullen. Spullen die nog weleens van pas kunnen komen en spullen die absoluut niet weg mogen.
Als teken van welwillendheid jegens elkaar spreken wij net zo over opruimen als over fitness en minder suiker gebruiken. Of over minder vlees en vroeger naar bed met minder alcohol. Mooie praatjes, maar er komt niets van terecht. Het heeft onze aandacht, maar aangepakt wordt het niet. Al heel lang kan het zo niet langer.
Maar bij een verhuizing is opruimen onvermijdelijk. Het moet gewoon van ons:
‘We kunnen toch al die rotzooi niet steeds met ons mee slepen?’
‘Ho eventjes, jouw rotzooi, hè. Ik heb geen rotzooi.’
‘Goed mijn rotzooi en jouw spullen, maar weg moeten ze.’
Even onvermijdelijk als de opruiming zelf is de ruzie eromheen. De aanklager en advocaat in mijn hoofd vecht met evenveel recht als het juridisch duo in het hoofd van mijn vrouw. Zij argumenteren tegen en doorelkaar en de gevoeligheden worden niet gespaard.
‘Dat kastje is nog van mijn vader geweest.’
‘Alsof je altijd blij bent met wat je van je vader hebt gekregen.’
Zorgvuldig wordt van elke genomineerde kavel nut en waarde in verleden en toekomst bepaald. Argumenten om weg te gooien of te houden worden even makkelijk bedacht als ter zijde geschoven. Het is allemaal niet zo sterk wat we zeggen, maar stijfkoppen zijn we wel.
Uiteindelijk moet een rechter vonnis wijzen, maar die zetelt ook al in onszelf. Zijn of haar aanwezigheid en uitspraken worden regelmatig gewraakt of belachelijk gemaakt.
‘Zullen we die zogenaamde literaire thrillers, dan allemaal wegdoen?’
‘Zeker, samen met alle kookboeken. Dat ruimt lekker op.’
‘Als we alles weg doen waar jij geen verstand van hebt, word jij nooit wat wijzer.’
Het is een mooie vertoning zo’n opruiming. Het is een grimmig gevecht om de vrije ruimte. Het is geen wonder dat wij door de spullen achter deuren en deksels op te slaan, de opruiming hebben willen vermijden.
De makkelijkste spullen zijn die van onze dochter. Zij zijn achter gelaten in de verwachting bij ons een eeuwig leven te hebben. Maar nu worden zij zonder pardon uitgewezen. Niet om wat zij zijn, maar om van wie zij zijn. Af en toe wordt betwist of het spul van haar is of toch van ons. De rechter doet altijd uitspraak in het voordeel van de jeugd.
Nee, dan alle troep die van ons is. Wat heet van ons: we hebben het samen aangeschaft of ooit is het een inbreng in de prille boedel geweest. Maakt allemaal uit. Het is niet uit hebberigheid dat wij zeggenschap opeisen. Het is de emotionele binding die aan zoveel spullen kleeft en elk rationeel motief overrulet.
‘Ja, dat gaat echt niet weg.’
‘Maar je hebt er al meer dan een jaar niet naar omgekeken.’
‘Nou en?’
‘Als ik het niet gezegd had, dan had je het niet eens gemist.’
‘Waag het niet om het weg te gooien.’
Zo gaat het maar door: waar ik van roep ‘weg ermee’, noemt mijn vrouw onmisbaar; en waar zij van zegt ‘kringloop’, hang ik het label ‘marktplaats’ om. Mijn bindingsvermogen lijkt nergens op, terwijl mijn vrouw nog niet kan scheiden van een Spaanse zwervershond.
De rechtszaak begint zijn tol te heffen. Vermoeidheid bezoekt de verdediging en de rechter neemt het steeds minder nauw. Er is genoeg aan mijn nieren geproefd en het moment zit er aan te komen dat ik het allemaal wel best vind. Nog even vlammen de verwijten op:
‘Jij denkt zeker dat we drie verhuiswagens ingehuurd hebben. Het is er maar één en de rest mag je zelf met de kruiwagen doen.’
‘Waarom mag ik dat zelf niet beslissen? Waarom heb je er überhaupt een mening over.’
‘Soms praat je alsof je mij ook zo makkelijk weg zou doen.’
‘Weet je, je zoekt het maar lekker uit. Ik bemoei mij er niet meer mee. Ik heb hier helemaal geen zin in. Lekker opruimen.’

vollebakWe hebben nu even pauze, want ik ben weggelopen.
Buiten staan vier vuilniszakken, een tafel met drie poten, drie afgeladen bananendozen en een overvolle aangestampte kliko bak.

Boommanagement

Waar ik woon staan heel veel bomen. Jong en oud, groot en klein. U mag het gek vinden, maar ik (en niet als enige in mijn buurt)spreek met bomen, net als Irene. Ik beeld mij in dat de bomen ook met mij praten. Ach, een aantal van deze gabbers ken ik al zo lang dat je best van een relatie mag spreken.

Vier woranjestipeken geleden zag ik dat drie bomen waren geblest met een rode stip op de stam. Dat wil in onze buurt zeggen dat onderzoek gaande is en dat in het uiterste geval de bomen gekapt kunnen worden.‘Kan dat zomaar,’ zei ik verbaasd en met lichte verontwaardiging tegen mijn buurman, ‘die bomen zijn nog hartstikke gezond?’ ‘Het schijnt in opdracht van het boommanagement te gebeuren,’ zei de buurman, ‘begrijpen doe ik het niet, maar het zal wel nodig zijn.’

Nog geen twee dagen later stonden hoge schuttingen om de drie bomen. Zij waren volkomen aan het zicht onttrokken en achter de schutting vermoedde ik, afgaande op allerlei zaag- en schaafgerucht, diepgaand ‘onderzoek’. De buurt was in rep en roer en menigeen sprak schande van de aanpak. Hoe haalden het boommanagement het in vredesnaam in hun hoofd om de bomen zo van ons te isoleren. Wat moet er wel niet aan de hand zijn om zo’n aanpak te rechtvaardigen?

Nog een dag later viel er een briefje in onze brievenbus. Het was het boommanagement opgevallen dat er nogal wat onrust in de wijk was ontstaan en zij wilde graag een toelichting geven.

Vele buurtbewoners waren aanwezig op de betreffende bijeenkomst en wat bleek; het boommanagement had klachten ontvangen over de bomen. Klachten die zo ernstig waren dat een onderzoek op zijn plaats leek.

‘Wat voor klachten zijn dat dan wel en van wie?’ riep iemand. En een ander: ‘Ik heb gehoord dat er in de bomen gekerfd en gezaagd is. Had dat niet wat minder gekund, met iets meer prudentie?’ ‘Die klachten moeten wel verdomd ernstig en nog waar zijn ook. De bomen moeten bijkans van binnen helemaal verrot zijn’, riep een derde, ‘en dat weiger ik te geloven.’

De gemoederen raakten behoorlijk verhit. Meer dan 30 jaar stonden die bomen al in onze buurt en met verve, aan hun karakter mankeerde niets. Zij hadden recht op enig krediet.

‘In het belang van het onderzoek, kan ik de aard van de klachten niet precies zeggen, maar het is wel ernstig. Ik begrijp jullie ongerustheid, maar neem maar van mij aan dat het meer is dan overmatig bladval’, zei de boommanager. ‘Er zijn tijdens het onderzoek onder andere slijmsporen gevonden van de ‘ritsige snoefrups’ en dat zegt genoeg. Stel je voor dat de hele wijk besmet raakt en dat de media daar achter komen. Wie wil er dan nog in die buurt van jullie komen? En wie krijgt dan schuld?’

‘Stel je voor dat er helemaal geen besmetting is,’ riep ik recalcitrant. Blijkbaar wilde het boommanagement ten koste van alles voorkomen dat hen verweten zou kunnen worden niets gedaan te hebben tegen het slijmspoor. Imagoschade moest voorkomen worden of op z’n minst beperkt. ‘Ter geruststelling: het onderzoek wordt uitgevoerd door het bureau ‘Zwabberaar en Vatenmaker’ en die worden alom erkend en geprezen. Zij hebben de expertise om de bomen zowel te onderzoeken, als te begeleiden. Wees gerust en heb vertrouwen,’ bezwoer het boommanagement.

‘Maar ondertussen worden de bomen wel al ernstig beschadigd?’ zei een buurtgenoot.‘In het belang van het onderzoek,’ repliceerde de boommanager, ‘en in het belang van de bomen zelf en daarmee ook in het belang van de hele buurt.’ Wat een gelul dacht ik: ze beschadigen de bomen en zeggen ook nog dat het voor hun en ons eigen bestwil is.

Veel concrete informatie hebben we verder niet gekregen. Wel veel begrip voor onze opwinding en verontwaardiging, én aansporingen toch vooral goede buurtgenoten en natuurliefhebbers te blijven. Het boommanagement zei zelfs blij verrast te zijn met zoveel betrokkenheid, aldus de woordvoerder.

De daaropvolgende weken groeide het onderzoek in omvang en diepte: Bij de bomen werden takken verwijderd, oude vogelnestjes werden weggehaald en in het lab onderzocht. Boomwortels werden met moderne onderzoeksapparatuur op foute sappen gecontroleerd. Stammen werden gecontroleerd op raszuiverheid en foutieve invloeden. Ook belendende bomen werden in het onderzoek betrokken. Niet meer door dat ene bekwame bureau, maar door meerdere en nog bekwamere bureaus. Van enige begeleiding van de bomen was natuurlijk geen sprake. Daarentegen was er wel een crisisteam geformeerd dat alle commotie moest kanaliseren. Op het buurthuis werd een meldpunt en een opvang voor verontruste bewoners ingericht. Regelmatig werden persberichten gepubliceerd.

Onze verontwaardiging groeide.

In een hopeloze poging de aanzwellende kritiek op het onderzoek te pareren , zei het boommanagement dat de verdachte bomen ook in het verleden meerdere malen een forse tak hadden laten vallen. Uit het onderzoek was gebleken dat één der bomen een behoorlijke scheefgroei had meegemaakt en een andere boom had met zijn ongebruikelijk grote wortelstelsel van het strakke asfalt een hobbelig zooitje gemaakt. Een derde boom had met zijn takken niet van een andere boom af kunnen blijven, waardoor die onvoldoende zou hebben kunnen groeien. Allemaal aanwijzingen dat er echt wel wat aan de hand was.

Aan het eind van een tweede buurtbijeenkomst stonden wij er een beetje beduusd en uit het veld geslagen bij. Gistend onbegrip over de gewelddadige en massieve aanpak , de aanhoudende onduidelijkheid over onderzoeksdoelen en onderzoeksbevindingen en een groeiende loyaliteitsproblematiek maakten van ons doorgaans verstandige en redelijke buurtbewoners, een gissend en analyserend stelletje opgewonden opstandelingen.

Ondertussen ging het onderzoek naar de verdachte bomen onverdroten verder. Veel buurtbewoners namen aan dat er wel degelijk sprake moest zijn van een ritsige snoefrups of op z’n minst een of andere gevaarlijke bacterie. ‘Anders zou het boommanagement toch niet zo uitpakken? Wat moet dat niet allemaal kosten? Dat doe je niet voor een relatief onschuldig kevertje. Neen, hier is iets heel ernstigs en bedreigends geconstateerd.’, zeiden mensen.

Een paar dagen geleden bestormden zeven stoere kerels met ladders en elektrische zagenredmij onze straat. In no time werden achter de schutting de drie bomen neergehaald. Onmiddellijk werden zij op grote vrachtwagens afgevoerd en slechts drie droevige lege plekken, diepgeworteld in meters dikke spijt, bleven over. De buurt was ontdaan. En niet alleen van bomen.

Nog dezelfde avond werd onze buurt door de boommanager verzameld in de grote zaal van het dorpshuis. Wij zouden geïnformeerd worden over de bomenkwestie, waarbij naast het boommanagement, zowel de onderzoekers als de voorzitter van het boomkwekersgilde aanwezig zou zijn.

Nu zouden wij het te weten komen, nu zouden we de achtergronden en motieven horen, nu zouden we eindelijk begrijpen. Wij waren vol verwachting met een nare smaak van wantrouwen op de achtergrond.

De voorzitter nam het woord en vertelde ons dat de bomen waren omgezaagd. Hij zei dat wij niets te vrezen hadden. Het onderzoek zou worden voortgezet om het geheel in kaart te brengen. Hij zei dat wij niets te vrezen hadden. Hij kon niets zeggen over de achtergronden van het brute vellen van de bomen, noch kon hij vertellen wat het geheel behelsde, maar wij moesten wel vertrouwen hebben. Hij kon helaas geen verdere uitleg of toelichting geven, vooral uit privacy overwegingen, maar hij drukte ons op het hart dat wij niets te vrezen hadden.

Hoe wij ook probeerden van links, van rechts, van boven of van onderen er bleek geen ingang naar informatie te zijn. De onderzoekers ontbraken opvallend, zonder dat daar enige verklaring over kwam. Ook dat kanaal bleek onbevaarbaar.

Om half elf zei de voorzitter van het boomkwekersgilde: ‘Het is helaas tijd, ik moet het hierbij laten.’

Tot op de dag van vandaag is het onrustig in ons dorp. De stemming is gelaten en opstandig, al naar gelang wie je treft. Veel dorpsgenoten bekijken de bomen in hun tuin met argusogen. Misschien is er iets te zien is van een rupsje, een insect of een bacterie. Bewoners uit andere dorpen komen in het weekend bij ons kijken en roepen: ‘pas op, kijk uit, een verschrikkelijke snoefrups vliegt hier rond’ en dan lachen zij smakelijk.

Er zijn berichten ddroeve boomat een comité van buurtbewoners een rechtszaak wil aanspannen om het boommanagement te dwingen de bomen terug te planten, maar dat is natuurlijk een hopeloze missie. Iedereen begrijpt dat je in stukken gehakte bomen niet terug kunt zetten. Maar ja, je wil toch wat doen.

 

 

Boterham met zorg

De fiets van Brent stond buiten aan de ketting na te druppen van een hele nacht miezerregen. Hij legde zijn rugtas op de bagagedrager, klapte de snelbinder erop en haakte de plastic tas achter de fietsbel aan het stuur. Met de mouw van zijn jas droogde hij het zadel, waarvan het stiksel vervelend vochtig bleef. Brent maakte de ketting los, bracht de fiets naar de weg, zette zijn rechter voet op de trapper en stepte met zijn linker voet achterlangs, totdat hij snelheid had. Toen zwaaide hij met kracht en allure zijn linker been over de bagagedrager, zweefde een paar centimeter in de lucht en plofte op het zadel. Had hij gezien van zijn vader.
Brent vroeg zich af of hij niet te veel op zijn vader leek: de vluchtige zoen waarmee hij zwijgend het huis verliet; zijn brood aan het stuur; op weg naar zijn werk, thuis de boel, de boel latend. Misschien had hij zijn moeder duidelijker moeten laten merken dat hij aan haar kant stond? Misschien had hij haar even stevig moeten vastpakken voor hij wegging? Niet zo achteloos en zwijgzaam.
Brent wilde op zijn vader lijken en bij zijn moeder zijn. Maar zij hadden ruzie, zoals zo vaak.
Met zijn knie stootte hij tegen de tas aan het stuur. Hij draaide zijn knie nog verder naar buiten. Zijn vader zou nooit zo rijden: “Rotzooi aan het stuur is altijd gevaarlijk.”
Maar hij had makkelijk praten. Hij had een mooie grote fietstas en hoefde nooit boodschappen te doen en al helemaal geen brood nabrengen. “Niets dan handen aan het stuur en goed uitkijken,” zo hoorde het, maar niet voor iedereen.
Licht over zijn stuur gebogen fietste Brent verder. De geur van stad en regen hing nog in de straten. De wielrenner in Brent nam risico’s in de vochtige bochten, reed door rood en fiets2ging op de pedalen staan. De tas aan zijn stuur was stom. Het leek nog niet op een wielrenner.
Brent zette zijn fiets tegen het hekwerk van het gebouw waar zijn vader werkte. Een grote grijze muur met allemaal dezelfde vierkante ramen. Waarom zou hij daar willen werken? Voor alle zekerheid zette hij zijn fiets op slot. Je weet nooit met dat soort gebouwen. Zijn rugzak liet hij onder de snelbinder zitten, daar zaten schoolboeken in, niets van waarde. Met het plastic tasje in zijn hand liep hij de paar treden van de betonnen trap op.
In de hoek van de grote hal zat de portier achter een glazen wand met een rond venstertje om in te praten. De man las zijn krant en hield ondertussen de aan en uit knipperende lichtjes op zijn balie in de gaten. Soms drukte hij op een toets omdat dat moest. Zo’n baan leek Brent wel wat. Hij wachtte geduldig op aandacht.
‘Zeg het eens kerel’ zei de portier terwijl hij één zijde van zijn krant naar binnen sloeg zodat hij precies langs de halve krant Brent aan kon spreken.
‘Mijn vader heeft zijn brood vergeten, meneer’
De krant werd in elkaar gefrommeld en in één beweging bracht de portier zijn leesbril van zijn neus weg, naar het borstzakje van zijn uniformcolbert.
‘En wie is je vader dan wel?’
‘Meneer Belser, mijnheer,’ zei Brent zeer beleefd, want zo niet, dan zou zijn vader dat zeker van de portier te horen krijgen; zo zag de man er wel uit.
‘En wat moet jij van meneer Belser?’
‘Ik heb zijn boterhammen mee genomen mijnheer,’ en ter bevestiging hield hij de plastic zak omhoog.
‘Ha, nu zie ik het. Je bent er inderdaad een van Belser. Het is je grote mond die je verraad. Wacht maar, dan zal ik die vader van jou eens bellen.’
De schrik sloeg Brent om het hart. Wat een toon, zeg. Zou hij de portier moeten vragen het wat rustiger aan te doen? Hij wist zeker niet dat zijn vader kwaad was en dan hoefde je niet met grappen aan te komen. Direct komt hij naar beneden en wat moet ik dan zeggen?
Vergenoegd en glimmend van humoristische voornemens hield de portier de hoorn aan zijn oor. Het duurde even.
‘Ja hallo met Leusdijk, is Belser al boven? ……Geef hem eens even.’
Met zijn hand de hoorn afdekkend vroeg hij aan Brent of hij hem zelf nog wilde spreken. Verrast door die mogelijkheid schudde Brent zijn rood aangelopen hoofd en zei: ‘ Dat is niet…’
‘Mogge Belser, heb je de slaap uit kerel?……………………zeker weten?…………….niets vergeten?………Nee, ha,ha, dat bedoel ik niet……neen, jij hebt moeders zorg thuis laten liggen, gesmeerd en al,………ja, je zoon staat hier beneden met je boterhammen……….oh, ik dacht even dat je misschien een afspraakje had om uit eten te gaan tussen de middag………..nou je hoeft niet zo aangebrand te doen, dat jong is speciaal voor jou nog langs komen fietsen………natuurlijk, dat gaan we doen en goed je best doen vandaag hè.’
Leusdijk legde de hoorn neer, drukte op een knopje en keek Brent – die het er warm van had gekregen- triomfantelijk aan.
‘Die vader van jou heeft zijn beste been zeker nog in bed liggen, hè?’
‘Ja, mijnheer,’ hield Brent zijn beleefdheid vol. Hij was ontsteld, zo sprak je niet tegen zijn vader. En ook niet over hem. Was de portier dapper of stom?
‘Geef maar hier die broodjes’ en Leusdijk stak zijn hand door het spreekgat, bedacht zich, trok zijn hand terug, stond moeizaam op en waggelde zijn loge uit.
‘Zo, dat gaat wat makkelijker,’ mompelde hij tevreden over zijn initiatief.
Brent overhandigde hem de plastic zak met boterhammen. Boterhammen gesmeerd met zorg en angst. Hij vond het niet erg om ze af te geven.
‘Die komt hij vast wel halen en tot kijk maar weer, kerel, bedankt namens je vader.’
De portier stapte zijn hok weer in en plofte in zijn draaistoel. Hij pakte zijn krant en sloeg de kreukels eruit, pakte zijn bril en las verder. Zonder op te kijken stak hij nog even zijn hand op.
Opgelucht zei Brent: ‘dag mijnheer,’ liep de hal uit naar zijn fiets, naar school. Het hachelijke karweitje was gedaan, hij kon weer verder.

Der Franz

Ter gelegenheid en onder het thema van de Boekenweek: Duitsland: Was ich noch zu sagen hätte” heb ik onderstaand verhaal geschreven.

bielef2Arnold had zich laten overhalen om zijn orakel mee te nemen naar de voorbeschouwing. Hij liep niet zo te koop met de wonderlijke capaciteiten van het beest, maar voor een geintje op de voetbalclub was hij wel in. Hij had de trotse Bielefelder drie jaar geleden op de Ornithophilia in Utrecht gekocht. Hij had hem Franz genoemd, dat kwam nu goed uit, omdat hij net zo liep als Beckenbauer: overdreven rechtop en vol poeha. Bij toeval had hij het talent van Franz ontdekt. Vóór de wedstrijd tegen Argentinië had hij met Jos in de tuin staan voorbeschouwen en zij hadden zich afgevraagd wat in godsnaam de uitslag zou worden. Ze kwamen er niet uit, er was geen peil op te trekken.
‘Laten we het Franz maar vragen,’ had Jos met een dolletje geopperd, ‘die kan het weten.’
‘Goed plan,’ zei Arnold, en rende als een Eindhovense stofzuiger achter de haan aan.
Toen hij Franz onder de vleugels had gevat, keek hij het geïntimideerde beest doordringend aan en vroeg: ’Zeg eens Franz, wat gaat het vanavond tegen de Argentijnen worden? ‘
Franz strekte de nek, keek de mannen aan en zweeg.
‘Slechte vraag,’ zei Jos.
‘Dan doen we het anders: Franz, hoeveel doelpunten scoort Argentinië tegen Nederland?’
De Bielefelder zakte door de poten en zweeg opnieuw.
‘Geen doelpunten dus voor Argentinië,’ concludeerde Jos.
‘En hoeveel doelpunten voor Nederland?’ ging Arnold verder en kneep de haan een paar keer flink in de borst om zeker te zijn van een reactie.
Onmiddellijk schoot Franz omhoog en kraaide verontwaardigd, vier keer.
‘Dat is dus vier nul voor Nederland,‘ lachte Jos geamuseerd.
Arnold wist echt niet of hij vier of vijf, misschien wel drie keer had geknepen, maar 4-0 was natuurlijk onmogelijk. Wat maakte het uit, het was al grappig dat Franz überhaupt als een echte macho had gekraaid.

Na de wedstrijd deed het gerucht de ronde dat de haan van Arnold, de onwaarschijnlijke overwinning op Argentinië ’s middags al had voorspeld. Zij ontkwamen met geen mogelijkheid aan een optreden voor de finale.

Op het dak van het clubhuis dansten tientallen oranje ballonnen vrolijk in de wind. Bij de ingang van het sportpark kon je de uitgelaten opwinding al horen. De kantine was gezellig oranje aangekleed met plastic slingers die je meerdere keren kon gebruiken en vlaggetjes die je zo weg kon gooien. Iedereen had wel een of ander oranje gekleurd hoofddeksel op, maar de pruik en de indianenhoofdtooi waren duidelijk favoriet. Een paar spelersvrouwen, die voor de gezelligheid ook waren meegekomen, hadden het sexy oranjejurkje van Henny Cruijff aangetrokken, waarover zij klaagden dat het zo opkroop. Het bier werd speciaal voor de gelegenheid in Duitse halve liters getapt.

‘En nu is het de beurt aan Franz uit Bielefeld’, nam de voorzitter het woord.
‘Franz voorspelt feilloos de uitslagen van WK wedstrijden en dat gaat hij nu voor ons doen. Aanschouw het wereldwonder en je hoeft alleen de wedstrijd nog te zien. Arnold mag ik je uitnodigen?’
Met Franz onder de arm kwam Arnold naar voren: gul applaus, veel geschreeuw en gefluit. Arnold moest er niets van hebben: al die wilde, ongecontroleerde heisa, dat ging altijd verkeerd. Met het bier in zijn nek -het leek de Achterhoek wel- liep Arnold door de opdringende oranje supporters.
‘De haan moet ook een biertje,’ schreeuwde er een en overgoot de bange Franz. Begeleid door toeters en ratels werd het “Holland wint de wereldcup’ krachtig ingezet. Ja, de stemming zat er goed in.

‘Ik moet om stilte vragen. Stilteèè,’ schreeuwde Arnold, ‘Franz moet zich absoluut kunnen concentreren, anders sta ik niet in voor de juistheid van de voorspelling.’
Een tweede verzoek van de voorzitter bracht enigszins rust in de tent, maar stilte werd het natuurlijk niet. Alsof hij hem wilde planten zette Arnold Franz met de poten op tafel. Meegaand ging de haan in ruststand zitten. Blijkbaar was dat niet naar de zin van Arnold, want hij tilde hem nogmaals op en zette hem opnieuw op de gestrekte poten. Zo moest hij staan en niet anders. Franz begreep het. Arnold aaide hem over de trotse verenborst en keek hem weer doordringend aan. Franz was er klaar voor.
‘Franz, hoeveel doelpunten gaat Nederland vanavond tegen Duitsland maken?’
De spanning was voelbaar. Franz wachtte een moment en kraaide toen één keer alsof hij het licht gezien had. Het volk wilde echter meer. Eén keer kraaien was wel een erg krappe voorsprong, maar Franz maakte geen enkele aanstalten om meer doelpunten te maken.
‘Eén voor Nederland,’ vatte de voorzitter neutraal samen, ‘nu de Duitsers Arnold.’
Arnold had het behoorlijk benauwd.
‘Je moet je heel goed concentreren Franz,’ zei Arnold met een nadrukkelijke noodzaak in zijn stem. Opnieuw die stilte.
‘Hoeveel doelpunten maken de Duitsers vanavond, Franz?’ vroeg Arnold. Hij vermeed elk contact met Franz. Hij hield de haan losjes gevangen in het hokje dat hij met gespreide vingers had gemaakt. Elke vorm van druk op de haan zou tot een verkeerde uitslag kunnen leiden. Franz keek Arnold aan en even was daar dat verwaande lachje om de snavel van de Bielefelder. Hij zette aan en zonder terughoudendheid kraaide hij het uit. Liefst tweemaal. Voordat iemand zich realiseerde wat dat betekende, vloog Franz van tafel, tussen de verbouwereerde supporters door, zo de openstaande terrasdeuren uit. Weg van het rokerige en naar bier stinkende nest vol kabaal, naar de arcadische sfeer van het rustende voetbalveld.
Een officiële verklaring van de voorzitter was niet meer nodig. Het afkeurende gejoel en boegeroep was niet van de lucht. Men speelde boosheid en verontwaardiging, maar koos voor de vergoelijking dat het toch maar onzin was. De bierpullen werden gevuld en de aandacht ging naar het grote projectiescherm. Het wachten was op het fluitsignaal van Taylor.

De meeste oranje ballonnen waren van het dak gewaaid. Wat resteerde waren wat rimpelige exemplaren, die als oude mannetjes chagrijnig lagen te wachten tot ook zij door de wind zouden worden meegenomen.
Het rumoer van feestende mensen had het terras verlaten. De kantine stond er, tussen de versleten velden, verslagen bij. Ergens op die vlakte liep een trotse haan.
Arnold zat samen met zijn elftal aan de lange formica tafel. Het kon niet waar zijn. Tien minuten eerder was het nog een uitgelaten feest geweest en koesterden zij, de ijdele voetbalminnaars, nog hoop. Helemaal van slag, met de mouwen in het gemorste bier zaten de ontgoochelden glazig voor zich uit te kijken. Met de ontzetting op de beschilderde gezichten, vormden zij een lachwekkend hoopje droevige clowns. Langs de kant lagen hoeden, hoofdtooien en smoezelige pruiken. De dames liepen troostend langs hun mannen, maar de vreugde was wel uit de kekke katoentjes verdwenen. Het was gebeurd, het was over, uit en Schluss. Het was serieuze shit.

De commentaren, het bier en de analyses kwamen langzaam weer op gang. De ergernis en kwaadheid groeiden zoals bij elke onrechtvaardigheid die men moet accepteren. Daar werd een stoel omver geschopt, een tafel op zijn kant gezet en ook de pullen moesten het ontgelden. Bij het grote scherm stonden mannen beledigingen en verwensingen te schreeuwen naar de geprojecteerde Duitse voetballers. Bij elke herhaling schreeuwden de supporters moord en brand over al dan niet gepleegde overtredingen, schwalbes en foutieve beslissingen. Een paar pissige mannetjes stonden godverdomme klaar om alle aanwezigen, en ieder ander die daarom vroeg, eens flink op de flikker te geven. Het was een echte vriendenclub.

Vanuit het niets renden ineens een stuk of vijf dronken jongens het terras en de velden op.
‘Franz, die rot haan, die Bielefelder mof, die gaan we pakken.’
‘Het is zijn schuld, het is de schuld van die verdomde rot haan.’
‘We moeten hem pakken en de nek omdraaien,’ riepen zij kotsend en buiten adem.
Als een stel halvegaren liep de meute achter de haan aan. Franz was onverstoord. Kwamen de Hollanders te dichtbij dan vloog hij op en fladderde een tiental meters verder. Parmantig pikte hij dan voort en hield de heethoofden in de gaten. Franz was onbereikbaar.

Is dat niet te veel gevraagd?

Mag ik je iets vragen? Ben ik de eerste? Lach je me uit? Durf je het met mij aan? Vind je mij niet vragensaai? Vind je dat echt? Zullen we het doen? Of ben je ongesteld? Moet ik dat erg vinden? Wat wil je dat ik doe? Zullen we in bed blijven? Waarom zo vroeg al? Dat is toch niet gek? Heb jij er zin in? Ben je klaar gekomen? Heeft dat zo lang geduurd? Zullen we de nieuwe lakens op het bed doen? Zie ik zo bleek? Begrijp jij dat nou? Hou je nog wel van me? Heb je nog aan mij gedacht? Je bent toch niet boos op me? Waar denk je aan? Wie had je net aan de lijn? Kan ik op je rekenen? En was hij daar bij? En…wat zei zij? Zag je hoe ze keek? En geloof je dat? Wie waren er nog meer? Heb je nog iets over mij verteld? En, wat vinden ze van me? Waar hebben jullie het dan over gehad? Wil je me gek maken? Waarom heb je me dat niet eerder gezegd? Is er verder nog iets dat ik moet weten? Rode of witte? Wat wil je eten? Lust je dat niet? Maar wat wil jij nou? Hallo, ben je er nog? Kan ik je helpen? Waar bleef je nou? Vind je me nog aardig? Kun je je daar iets bij voorstellen? Zit je weer achter de computer? Heb je me gemist? Ben je boven? Zullen we lekker thuis blijven? Is er nog iets op? Wat wil jij zien? Is dit wat je bedoelt? Zal ik nog eens inschenken? Zullen we vroeg naar bed gaan? Waarom lach je nou? Is dat lief bedoeld? Hoe voelt dat dan voor jou? Wat gaat er door je heen? Vind je me nog mooi? Zie ik er nog goed uit? Heeft niemand dat nog tegen je gezegd? Meen je dat? Doe ik het zo goed? Heb je enig idee? Kom je schat? Lekker? Was het fijn? Heeft het gesmaakt? Is dat nou alles? Heb jij nog wat kleingeld? Van wie heb je dat? Geef je nog wel om me? Wil je het mij altijd vertellen, alsjeblieft? Beloof je dat? Zullen we dan maar? Maar ga jij er ook voor? Vind jij het fijn, zo samen? Hoe laat moet je weer beginnen?

Hoe laat kom je thuis? Wat is er op de televisie? Zit je nou nog achter de computer? Duurt het nog lang? Heb jij nog gebeld? Waarom zou je op mij wachten? Zou je niet eens voortmaken? Kom je nog? Heb je alles? Waar ben je al die tijd geweest? Wat denk je? Hoe moet ik dat weten? Kun je even gewoon doen? Snap je dat? Wat zullen we eten? Kook jij? Wat bedoel je? Hoe onnozel kan je zijn? Kan je niet wat meer in het huishouden doen? Waar denk je aan? Doe jij de kinderen? Kan het wat minder? Waar kan ik je mee verrassen? Wat vind jij nou lekker? Zal ik je rug masseren? Is dit voor mij? Kan dat zo maar? En hoe gaat dat dan verder? Verveel ik je? Denk je nou echt dat mij dat een moer kan schelen? Heb je de vaatwasser al uitgeruimd? Zal je dat nooit meer doen? Waar heb je dat gelezen? Zal ik het dan maar doen? Laat jij de hond uit? Kun je even komen? Ruik jij dat ook? Moet je dat aan mij vragen? Wat zeg je? Heb je mij niet verstaan? Heeft er nog iemand voor mij gebeld? Heb jij nog aan haar verjaardag gedacht? Wil jij dat wel? Zeiden ze nog iets over mij? Moet ik wat zeggen? Hou je nog een beetje van me? Denk je dat ik dat niet weet? Moeten we het daar niet eerst over hebben? Heb je dat ook tegen hem gezegd? Moet ik dat geloven? Heb ik niets meer te vertellen? Wat heb je gegeten? Kan ik je iets inschenken? Een wijntje misschien? Zal ik je plek warm maken? En denk je daar mee weg te komen? Zal ik dan rijden? Waarom moet ik daar altijd over beslissen? Hoe kom je erbij? Ben ik nog steeds je liefste? Heb ik dat gezegd? Heb je weleens in de spiegel gekeken? Valt je niks op? Staat dat mij een beetje? Vind je dat mooi? Wil je mijn sjaal soms om? Wat voor weer wordt het morgen? Kun je iets liefs tegen mij zeggen? Zal ik eerst? Waarom zeg je niets? Wanneer denk je dat dan wél te doen? Waar ben je mee bezig? Wat doe je? Waarom huil je nou? Heb je pijn? Waarom stel je je zo aan? Heb je nou je zin? Kan het niet wat zachter? Dacht je dat ik het expres deed? Moest dat zo lang duren? Wat nou? Wat zoek je? Waar heb je mijn pantoffels gelaten? Waar heb je het de laatste keer gebruikt? Zullen we de lakens samen uitdelen? Ben je de leukste thuis?

Wil je me even vasthouden? Ben je bang? En dat vind je lollig? Wat kan jou dat nou schelen? Waar zat je nou? Moet dat nou? Ben je dat nu al weer vergeten? Wil je me even op m’n rug krabben? Wil je eigenlijk nog wel? Kan ik wat van je overnemen? Wil je al eten? Moet ik dat nog uitleggen? Waar heb je het het laatst gebruikt? Hoe laat zullen we gaan? Gebeurt er nog wat? Zal ik je even alleen laten? Was het dat zo’n beetje? Ja, waarom zijn de bananen krom? Wil jij er eens naar kijken? Wordt het niet hoog tijd om naar bed te gaan? Zullen we het samen doen? Hoe kun je dat nu denken? Heb je de dokter nog gebeld? Heb jij daar nog aan gedacht? Moet je daar nu zo over zeiken? Hoe moet ik dan verder? Wat dacht je zelf? Zal ik je haren kleuren? En was zij daar bij? Hoe vaak moet ik dat nog zeggen? Zullen we het winterdek erop doen? Is dat niet fijn? Denk je dat ik me daar nog druk om maak? Waar heb ik dat meer gehoord? Wéét je dat niet meer? Heb jij mijn bril gezien? Komt er nog wat van? Wat wil je? Heb jij je portemonnee bij je? Wanneer had je het nog? Heb je wel goed gekeken? Voel je je wel lekker? Ben je nog wel gelukkig met mij? Hoezo? Het zal toch niet waar zijn? Moet ik dan alles doen? Weet je van wie je de groeten moet hebben? Ken je die nog wel? Weet jij het dan zoveel beter? Heb je dat gelezen? Slaap je al? Heb je genoeg dekens? Had je dat nou niet anders kunnen doen? Zal ik het zelf maar doen? Weet jij nog hoe ze heten? Zal ik je voeten masseren? Lach je me nu uit? Zijn we daar niet te oud voor? Is dat alles? Wat zit je toch te piekeren? Heb je nog afgesloten? Zal ik de boodschappen doen? Heb jij dat misschien opgeruimd? Waar heb je het dan opgeborgen? Zullen we even rusten? Is er eigenlijk nog wel iets dat je de moeite waard vindt? Ach, kun je mij dat even aangeven? Moet je niet iets schoons aan? Wat zou jij nog willen? Je bent het toch niet vergeten? Zou je niet eens naar de dokter gaan? Waar naar toe? Heb je het warm genoeg? Wie zou daar anders aan denken? Zijn we daarvoor verzekerd? Het zal toch niet waar zijn? Wil je een deken erbij? Heb je al je medicijnen ingenomen? Zal ik het anders even doen? Is dat weer helemaal goed gekomen? Je hebt toch geen pijn op de borst? Waar maak je je dan zo druk over? Kun je het aan me zien? Weet je wie er dood is? Wil je me nog wat zeggen? Waarom vraag je dat?

Slijtage en herstel

Toevallig kreeg ik twee brieven binnen die elkaar wel kunnen verdragen.
Eén brief van een zich aan mij ergerende vriend, en een commerciële, zij het op informele wijze geformuleerde, verkoopbrief.
Ik zag een verband.

Beste Michiel,

Wat ben je toch een ongelofelijke zeurkous. Waar lul je nou over? Een beetje pijn hier en een beetje stramheid daar. Wees Olympisch blij dat je nog mee mag doen. Zet het winnen uit je hoofd en het verliezen verdwijnt als vanzelf. Tuurlijk heb ik makkelijk praten, maar troost je voor mij komt ook de tijd dat ik met voetballen moet stoppen.
Jevoetbal4 hebt 53 jaar gevoetbald, waarvan 43 bij onze club. De laatste jaren op zaterdag met de veteranen en de andere dagen herstellen van de pijn in je rug, knieën en enkels. Dat was jouw voetbalritme.
Nu je niet meer speelt is de pijn een stuk minder. Je schijnt weer gewoon te kunnen lopen, maar toch ben je kwaad op je lijf. Het heeft je in de steek gelaten, zeg je. Wat een onzin!
Ik ga de feiten even op een rij zetten Michiel, daar hou je van.
Op je tiende begon je te voetballen. Meteen al fanatiek en met de wil om bij de beste te gaan horen. Tweemaal in de week trainen was voor jou een plezier. Stond je niet op het veld, dan was je bij jullie op het pleintje aan het ballen.
Tweemaal 2 uur trainen, één wedstrijd van anderhalf uur maakt vijfenhalf uur voetbal per week, waarbij we het straatvoetbal maar even vergeten. Als je bedenkt dat je 53 jaar hebt gevoetbald en dat je ongeveer 48 weken per jaar voetbalde, dan komt dat uit op 53 maal 48 maal 5,5uur is een kleine 14 duizend uur voetballen. Ga er eens vanuit dat je al voetballend zo’n acht keer per uur zo hard mogelijk tegen een bal aantrapt. Dan heb jij in je voetballeven meer dan 112000 keer met je rechter voet uitgehaald. Je voet is een heel fijn mechanisme van 26 botjes, 33 gewrichten, meer dan 100 gewrichtsbanden en 19 spieren en pezen. De beweging van je voet is een kwetsbare en ingenieuze samenwerking van al die onderdelen met je zenuwen. Niet speciaal gemaakt om te voetballen.
Vind jij het dan gek dat je met 112000 keer, (en dan laten we al die andere voetbewegingen en aanslagen op je voeten nog even buiten beschouwing) op je vijfenzestigste pijn in je voeten hebt? Heeft je lichaam je dan in de steek gelaten?
Dit zijn de feiten Michiel.
Je mist de geur van het groene gras?
Nou er komt een tijd dat je er heel lang aan mag ruiken.
Voor de betere contactsport zie ik je graag weer bij ‘Kicks derde helft’.

Je voorstopper voor altijd, Louis.

 

 

Geachte heer Spanjer,

Neemt u ons niet kwalijk. Misschien is het wat cru te spreken over vervangende onderdelen, misschien is dat eng en confronterend. Onze branche is echter weinig subtiel en vooral technisch van aard. Wij verkopen reserve-onderdelen voor het menselijke lichaam.
Wij weten dat u al zo’n dikke 65 jaar beweegt. Op beweging volgt slijtage, dat zal ook u opgevallen zijn. Het kan haast niet anders of u heeft hier een pijntje of daar een steekje. Een haperende arm of een weigerend been. In de rug kraakt het en door de teen steekt het. Blijft het daar bij, dan heeft u niets te klagen. Veel ouderen zouden onmiddellijk met u willen ruilen.
Onze firma wil de onderdelen, die van het heerlijke bewegen een pijnlijke bezigheid maken, graag voor u vervangen. Wij verkopen zowel nieuwe, State of the Art artikelen, als meer dan goede gebruikte onderdelen. In onze rekken liggen naast geavanceerde bovenbenen, nog prima knieën. Onze kraakveilige sleutelbenen doen kwalitatief niet onder voor onze geoliede ellenbogen. Onze spaakbenen, ellepijpen, scheen-, dij- en kuitbenen zijn absolute verkooptoppers en onze heupgewrichten zijn als beste koop getest. Buitengewoon trots zijn wij op onze stijgbeugeltjes, die praktisch universeel bij elk hamer en aambeeld passen. De kunstgebitten zijn uit de handel genomen, daarvoor in de plaats kunnen wij u de beste implantaten en inklik tanden leveren.
Alles bij elkaar heeft de hardware afdeling zo’n 236 verschillende artikelen, die meestal binnen drie dagen bij u thuis kunnen zijn. Als u wilt kunnen wij de onderdelen ook plaatsen en controleren. Heeft u zelf een specialist gevonden, dan kunt u het artikel gewoon bij de balie ophalen of laten bezorgen bij uw ziekenhuis. Echter, wanneer niet erkende specialisten met ons materiaal werken, dan vervalt onze garantie.
Naast hardware beschikken wij over een beperkt assortiment zacht spul. Slijmbeurzen, vers kraakbeen, tong, kunststofaders in lengtes van 10 en 20cm. Op voorraad hebben wij nieuwe ogen van hoogwaardig twee componenten dennenhars. Onze soepele huidmatjes zijn bekend van Beverwijk tot Chicago. Opvullend vet kan telefonisch besteld worden en dient binnen drie werkdagen opgehaald te worden.
U ziet wel, nu u alles zo op een rijtje ziet staan is het allang niet meer zo eng, als aan het begin van onze brief. Zolang u het kunt doen met de originele onderdelen, moet u dat zeker niet nalaten. Sterker nog, ook met een beetje pijn of stramheid bent u altijd nog beter af met uw eigen materiaal, dan met vervangende onderdelen. Maar kan het echt niet meer en wilt u toch de kwaliteit van bewegen behouden, dan bent u altijd van harte welkom in onze showroom. Met ons ruime assortiment en de grote toepasbaarheid van onze producten is het echt niet meer nodig om op uw eigen lijf te schelden. Een redelijk functionerend lijf ligt binnen uw bereik. Als u deze brief meeneemt naar onze showroom beginnen we meteen met een gratis consult .

Hoogachtend,

Directie HumanParts.

Onrust in de Transvaalbuurt

Het was de winter van 1966 in de Transvaalbuurt in Amsterdam. Meer nog dan 1966 was het 27 december. Geheel in de geest van Piet Retief, Paul Krüger, Sarel Cilliers en andere boerenstrijders die zich lieten kennen door straatnamen, trok het jonge Transvaalvolk ten strijde tegen de pummels van de Oosterparkbuurt. Een robuuste spoordijk tussen Muiderpoort en Amstelstation scheidde de twee buurten en buren. Niet dat daardoor vrede heerste, maar doorgaans nam men niet de moeite het spoor over te steken om de vijand te bestrijden. Te veel gedoe, helemaal omlopen onder het viaduct van de Linnaeusstraat; dat was te ver van huis.
Als na de kerstdagen de eerste bewoners tabak hadden van de naaldenrotzooi en de bomen de straat op werden gegooid, begon de vijfdaagse kerstbomenoorlog. Gewapend met lange stokken, zwepen, riemen en ander wapentuig zwierf het dappere schorriemorrie over straat en door de buurt. Soms zat de oorlogsbuit nog vol met engelenhaar en vergeten ballen. De gevallen dennennaalden bleven als een groen tapijtje achter op het slagveld. In de strijd om de hoogste stapel kerstdennen kwamen de jongens natuurlijk altijd bomen te kort of had de Oosterparkbuurt onrechtvaardig veel meer bomen. Toen lag de lat voor een Nieuwjaars vuur al op 4 meter. Zoveel bomen konden onmogelijk alleen maar uit de eigen buurt gerekruteerd worden. Het gevecht om de bomen was een welkome onderbreking van de saaie kerstvakantie, maar ook een pure noodzaak. Van de straten, uit de tuintjes en plantsoenen, van de balkons en uit de struiken, overal werden de bomen weg geroofd. De beukenweg was hard en wreed. De Vrolikstraat was lang en had een hoge boomopbrengst. De bloedende wonden beloofden stoere littekens en de gloeiende striemen heldhaftige verhalen. Het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis lag in de Oosterparkbuurt, dus daar ging je die dagen niet naar toe. En wie wilde geen zakdoek met bloed om zijn hoofd?
Op de kruising werd de vuurplaats ingericht met een degelijk fundament van bij de melkfabriek Sterovita gejatte houten pallets. Dat jaar, je kon het aan alles merken, zou de stapel hoger dan ooit worden.
De gevechten waren heftig geweest en de jongens van Jan de Wit kwamen met heel veel bomen uit de wingebieden terug. Op 25 meter afstand van de vuurplaats had een kleine ondernemer zijn timmerfabriekje staan. Met angst en beven sloeg hij de gestaag groeiende berg bomen gade. In ‘65 had hij de deuren van zijn werkplaats nat gehouden en had zodoende slechts lichte onthechting van de verf ondervonden. Dit jaar zou hij zo niet wegkomen, dacht hij en besloot tot onderhandelen. Hij beloofde de gasten een jerrycan benzine als zij de vuurplaats zouden verplaatsen naar het pleintje op de Hertzogstraat.
Dat was een goede deal, dus de bomen werden naar het pleintje gesleept. Ter bescherming van de straatstenen, het pleintje moest namelijk na oud en nieuw weer als speelpleintje kunnen dienen, werden de pallets ook verplaatst. Zo was de redenering.
brandjeHeel oudejaarsdag werd aan de opbouw van het vuur gewerkt. Uiteindelijk was de stapel bijna 7 meter hoog. Zeven meter gort droge kerstbomen op een pleintje van twintig meter breed. Daaroverheen zes autobanden om het zaakje bij elkaar te houden. Om tien voor twaalf werd nog eens 20 liter benzine boven de stapel uitgeschud en toen de klok van de Bonifatiuskerk twaalf sloeg ging de hens erin.
Het vuurtje van de Vrolikstraat stelde niets meer voor. Vlammen kwamen tot boven de huizen, de klinkers werden uit het pleintje gebrand, de timmerman was samen met tientallen buurtgenoten komen kijken en veel later ook de politie en de brandweer. Er was bewondering en afkeuring. Het was er hard aan toe gegaan, maar mensenkinderen wat was het de moeite waard geweest.