Onrust in de Transvaalbuurt

Het was de winter van 1966 in de Transvaalbuurt in Amsterdam. Meer nog dan 1966 was het 27 december. Geheel in de geest van Piet Retief, Paul Krüger, Sarel Cilliers en andere boerenstrijders die zich lieten kennen door straatnamen, trok het jonge Transvaalvolk ten strijde tegen de pummels van de Oosterparkbuurt. Een robuuste spoordijk tussen Muiderpoort en Amstelstation scheidde de twee buurten en buren. Niet dat daardoor vrede heerste, maar doorgaans nam men niet de moeite het spoor over te steken om de vijand te bestrijden. Te veel gedoe, helemaal omlopen onder het viaduct van de Linnaeusstraat; dat was te ver van huis.
Als na de kerstdagen de eerste bewoners tabak hadden van de naaldenrotzooi en de bomen de straat op werden gegooid, begon de vijfdaagse kerstbomenoorlog. Gewapend met lange stokken, zwepen, riemen en ander wapentuig zwierf het dappere schorriemorrie over straat en door de buurt. Soms zat de oorlogsbuit nog vol met engelenhaar en vergeten ballen. De gevallen dennennaalden bleven als een groen tapijtje achter op het slagveld. In de strijd om de hoogste stapel kerstdennen kwamen de jongens natuurlijk altijd bomen te kort of had de Oosterparkbuurt onrechtvaardig veel meer bomen. Toen lag de lat voor een Nieuwjaars vuur al op 4 meter. Zoveel bomen konden onmogelijk alleen maar uit de eigen buurt gerekruteerd worden. Het gevecht om de bomen was een welkome onderbreking van de saaie kerstvakantie, maar ook een pure noodzaak. Van de straten, uit de tuintjes en plantsoenen, van de balkons en uit de struiken, overal werden de bomen weg geroofd. De beukenweg was hard en wreed. De Vrolikstraat was lang en had een hoge boomopbrengst. De bloedende wonden beloofden stoere littekens en de gloeiende striemen heldhaftige verhalen. Het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis lag in de Oosterparkbuurt, dus daar ging je die dagen niet naar toe. En wie wilde geen zakdoek met bloed om zijn hoofd?
Op de kruising werd de vuurplaats ingericht met een degelijk fundament van bij de melkfabriek Sterovita gejatte houten pallets. Dat jaar, je kon het aan alles merken, zou de stapel hoger dan ooit worden.
De gevechten waren heftig geweest en de jongens van Jan de Wit kwamen met heel veel bomen uit de wingebieden terug. Op 25 meter afstand van de vuurplaats had een kleine ondernemer zijn timmerfabriekje staan. Met angst en beven sloeg hij de gestaag groeiende berg bomen gade. In ‘65 had hij de deuren van zijn werkplaats nat gehouden en had zodoende slechts lichte onthechting van de verf ondervonden. Dit jaar zou hij zo niet wegkomen, dacht hij en besloot tot onderhandelen. Hij beloofde de gasten een jerrycan benzine als zij de vuurplaats zouden verplaatsen naar het pleintje op de Hertzogstraat.
Dat was een goede deal, dus de bomen werden naar het pleintje gesleept. Ter bescherming van de straatstenen, het pleintje moest namelijk na oud en nieuw weer als speelpleintje kunnen dienen, werden de pallets ook verplaatst. Zo was de redenering.
brandjeHeel oudejaarsdag werd aan de opbouw van het vuur gewerkt. Uiteindelijk was de stapel bijna 7 meter hoog. Zeven meter gort droge kerstbomen op een pleintje van twintig meter breed. Daaroverheen zes autobanden om het zaakje bij elkaar te houden. Om tien voor twaalf werd nog eens 20 liter benzine boven de stapel uitgeschud en toen de klok van de Bonifatiuskerk twaalf sloeg ging de hens erin.
Het vuurtje van de Vrolikstraat stelde niets meer voor. Vlammen kwamen tot boven de huizen, de klinkers werden uit het pleintje gebrand, de timmerman was samen met tientallen buurtgenoten komen kijken en veel later ook de politie en de brandweer. Er was bewondering en afkeuring. Het was er hard aan toe gegaan, maar mensenkinderen wat was het de moeite waard geweest.

Wegdromen

Margreet is eerder opgestaan. Misschien om zelf het maximale uit de dag te halen, maar het kan ook zijn, dat zij Felix een paar uur extra in hun bed gunt. Het is tenslotte zaterdag. Met een kopje thee en de krant op het nachtkastje en een gulle ‘blijf nog maar lekker even liggen’ heeft zij Felix achtergelaten in hun beider matraskuiltje.

 

Als Felix de images-1kans krijgt, blijft hij zo lang als mogelijk hangen in het ijle land van half-zijn. Daar waar werkelijkheid en droom zich met elkaar verbinden. Daar leeft Felix in vreemde beelden en belevingen, die hij moeiteloos aanvaardt als de realiteit. Slechts als hij even moet verliggen of een ver geluid moet horen, komt hij vluchtig bij. Het denken ligt al op de loer. Het niet weten er te zijn, wiekt weg naar warme oorden. Felix wil het tegenhouden. Hij wil niet denken. Uitslapen vindt hij niet genoeg. Hij wil terug naar waar hij was gebleven. Met een beetje geluk valt hij terug in het leven dat hem overkomt. Het ongedeelde leven, dat pas droom wordt bij het wakker worden. Na een uur of wat, want dan moet Felix plassen. Onverbiddelijk moet hij zich weer verzoenen met het dagelijkse. Hij strekt zich daarvoor uit en gooit het dekbed van zich af. Bevrijd van wat hij droomde: een benauwde wereld waarin hij haast verdronk. Zijn lichaam herinnert zich nog het zuurstofgebrek en de wanhopige zwempogingen. Een restje angst is blijven hangen in het beddengoed. Felix vraagt zich af waar al die gedroomde werkelijkheid toch vandaan komt? En vooral, hoe het zo waar kan lijken?

Nog niet zo lang geleden werd Felix door zijn krant geïnformeerd over de grote hoeveelheid Polen die plotseling aan het verdrinken was. Te weinig zwemkunst, te veel drankgebruik, onbekendheid met de stroming en een fatale onbezorgdheid.

De krant had het hele proces om van ontspannen zwemmer tot een drenkeling te geraken in beeld gebracht:

De ontspannen zwemmer begint met een angstgevoel dat zich ontwikkelt tot paniek. Van ‘ik kan niet zwemmen’ tot ‘help, ik verzuip’. In die staat ga je gek met armen en benen om je heen slaan, maar dat helpt niets en kost veel energie. Doodmoe word je daarvan. Je lichaam maakt CO2 aan, maar wil zuurstof hebben. Als een idioot ga je ademhalen, maar je krijgt water in je keelgat. Daar ga je natuurlijk behoorlijk van hoesten, je paniek wordt groter. Je hapt nog steeds naar water terwijl je meer zuurstof nodig hebt. De lage luchtwegen sluiten de longen af en dan stroomt het water natuurlijk naar de maag , het moet ergens naar toe. Uitgeput door het gevecht raakt het verkrampte lichaam bewusteloos en de (keel)spieren ontspannen. De longen stromen vol en het slachtoffer stikt.

De krant illustreerde dit proces met heldere tekeningen in mooi blauw water.

Oud en wijs genoeg?

wijsheid

Wat is wijsheid?

Ik ben op leeftijd aan het geraken. Dat gaat gepaard met allerlei kwaaltjes, pijntjes en ongemakken. ‘Wat je hebt, mag je houden’ grappen wij ‘oudjes’ tegen elkaar als het op één van de verjaardagen weer eens over de gezondheid gaat.

Ik verdedig mij tegen dit voortkabbelende verval met de gedachte (en die spreek ik ook uit) dat mijn wijsheid al maar groter is geworden. Wat een vracht aan ervaring. Wat een enorme hoeveelheid aan al dan niet dure levenslessen. Al die hoogstaande discussies, al die gesprekken die ik met anderen en mijzelf heb gevoerd. Al die jaren van nadenken (dat is natuurlijk een grote optelsom, hè). De honderden boeken die ik gelezen heb. De ontelbare conferenties, workshops en studiedagen die ik bezocht. Ik heb er zeker zo’n 40.000 uren aan actualiteitenrubrieken en journaals op zitten. Ik ben tientallen keren op mijn bek gegaan en ben evenzoveel keren vrolijk weer opgekrabbeld. Ik heb liefdes gevonden en verloren en zo verging het mij ook met vrienden, familie en kapitaal. Moet ik nog doorgaan? Is het niet allang duidelijk dat hier een man aan het woord is, die door het leven, in de armen van de wijsheid is gedreven? Niet omdat ik zo graag een wijs man wilde worden, maar omdat ik niet anders kon.

Ja, zo dacht ik er over tót Prof. Swaab aan mij verscheen en mij een ontstellend ontnuchterende mededeling deed: ‘Kerel, je bent helemaal de ouwe, je bent niets veranderd’.

Ik schijn qua karakterstructuur nog steeds dezelfde onvoldragen vrucht te zijn als die van een dikke 61 jaar geleden in mijn baar-moeder. Al die opinies en oordelen later over mijn karaktertje, het zijn eigenlijk oordelen over mijn brein. Ik en mijn brein vallen samen. De rest van mijn lichaam heeft slechts tot taak mijn brein in leven te houden en het volgende brein te creëren.

In al die jaren heb ik niets anders gedaan dan mijn gedrag een beetje aanpassen. De foute kantjes van mijn persoonlijkheid een beetje camoufleren, waar overigens nog steeds klachten over binnen komen.

Is daar nu al dat gedoe dat wij ‘het leven’ noemen voor nodig? Had dat niet wat efficiënter in elkaar gezet kunnen worden?

De troost van de wijsheid is hiermee wel helemaal vervallen. De reden van mijn bestaan, wat mij ooit een interessante vraag scheen, is nu wel gruwelijk duidelijk: Het heeft geen reden, er is slechts bestaan. Geen mooie ontwikkelingen in mijn persoonlijkheid. Geen diep gevoelde wijsheid die gerijpt is in de gistende vaten van het leven. Je wordt bedankt Swaab!

Een paar weken geleden kreeg ik van een goede vriend het boek ‘De vrije wil bestaat niet’ van de neurowetenschapper Victor Lamme. U begrijpt wel waar het naar toe gaat in dat boek. Wij kunnen er niets aan doen en dat blijkt uit talloze wetenschappelijke experimenten. De mens neemt maar zelden een bewuste beslissing. Veel meer zijn het bepaalde hersendelen en de wijze waarop die geprogrammeerd zijn, die bepalen wat er uiteindelijk gebeurt. Dat de goede man ‘Lamme’ heet verbaast mij niets.

Alles bij elkaar raad ik u het lezen van dit soort wetenschappelijk werk ten zeerste aan. De strekking van de theorieën is zinloosheid opwekkend en het mobiliseert een enorm verzet. U wilt er vast ook niet aan en gaat, net als ik, op zoek naar tegenargumenten. U ontwikkelt energie en creativiteit. U bedenkt slimmigheidjes om het gestelde tegen te spreken en het gezegde te ontkrachten. Geweldig waar je allemaal op uit kunt komen.

Voor dat je het weet ben je een illusie rijker.

De nalatenschap

Nalatenschap

bakmetgeld

Hij was geen slechte kerel, terwijl hij wel rijk was. Pa had een behoorlijk kapitaal en eeltige handen vergaard in de varkenshandel. Op de een of andere manier was het eelt ook op zijn ziel terecht gekomen. Misschien door de dood van zijn vrouw. Als het verdriet te veel schuurt, verhardt het wezen.

Gierig was pa niet, maar hij gaf weinig zo maar weg. In het algemeen vond hij dat de mens het zelf maar uit moest zoeken. “Een mens moet nergens op rekenen,” zei hij vaak bij tegenslag.

Op mijn 26ste trouwde ik met Maartje, die zwanger van mij was. Wij hadden een kind, een rijke vader en verder niets. Pa groeide in zijn rol van grootvader. Hij was er speciaal voor gestopt met roken. Vet en suiker in plaats van nicotine en teer. De dood besprong zijn hart. Ik erfde 2,5 miljoen euro. In één keer. Na een gepaste periode van rouw, kwamen de tonnen als regen uit de hemel.

Het leven dat ik daarna leidde was zonder maat en mededogen. Ik loog en bedroog. Mijn vrouw verliet mij. Niet eens voor een ander. Mijn zoon volgde haar goede voorbeeld. Met mijn vrienden deelde ik mijn gebreken en de shit waarin we terecht kwamen. De hebberds en de geilaards schudden graag mijn handen. Ik schonk het meeste met de fles in de hand. In geen van allen zat een briefje met een vriendelijke groet of een verzoek of een geheim of schat.

Ook al was het mijn leven, het was leeg, leeg, onherkenbaar leeg.

Maar ook wat leeg is kan verloren gaan.

Ik zit op een ongemakkelijke krukje aan mijn formica keukentafel. Voor mij papier en een glas water. Er vallen wat woorden voor mijn pa:

Als u nog eens wat weet. Negenennegentig goede doelen en uitgerekend mij moest u treffen met uw rijkdom?Had het de natuur niet kunnen zijn? Of, ook heel verantwoord, de cultuur? Hadden de zieken of de dieren uw geld niet moeten erven? Had u de ontwikkeling niet moeten steunen of de honger en de armoe moeten bestrijden? Waarom niet alles ingezet op vrede?

Kende u uw zoon dan niet? Kon u niet zien, dat ik het goede doel niet ben.

Go with the flow

De uitvaart
Vol vertrouwen liep Isa aan de hand van haar moeder achter de kist van haar opa aan. Het zou wel goed komen volgens Isa. De regen viel met kracht en de stoere wind blies de droeve stoet onder de parapluis. Een ondeugend straaltje water biggelde haar mouw in en rustte even in haar oksel. Het kietelde, maar niet om te lachen.
De begraafplaats lag er verzopen bij. Geen lantaarntje was nog aan. Geen bloemetje stond meer overeind. Alle kelken liepen over. Geen vogel liet zich horen. Het grindpad sopte en alles huilde pijpenstelen.
Isa was een stuk minder treurig. Als een eiland van optimisme, liep zij tussen de ontroostbare realiteit, want zij had een afspraak met opa.
“Vertrouw mij maar,” had hij met een blik van verstandhouding tegen haar gezegd. En omdat zij zielsveel van opa hield, deed zij dat. Aan de onverbiddelijke hand van haar moeder liep Isa door de plassen, langs de graven. Voor “onze lieve, lieve Leontien, van 12 mei 2003 tot 6 januari 2005”, vond zij het wel heel zielig. De kletsnatte knuffelbeer van Leontien week voor geen centimeter van haar graf. Het liefst zou Isa zelf een kijkje nemen bij al die monumenten van verlies, maar dat liet haar moeder niet toe.
Na een paar keer oplopen en weer stilstaan, kwam de stoet op zijn bestemming. Opa’s kist werd op de planken boven de grafkuil gezet. Druipende mensen en verzadigde bloemen werden door een man, die zich onverstoorbaar volstrekt had laten nat regenen, om het graf geschikt. Isa mocht vooraan staan.
“Wat ze allemaal ook zeggen, geloof mij maar, schat, ik ga niet dood,” had opa haar beloofd.
Zijn zoon, haar vader sprak een laatste woord. De regen deed er nog een schepje bovenop. Moeder knikte vader toe dat het zó wel goed was. De planken werden weggetrokken, de touwen gevierd en opa zakte in het modderige water. Nieuwsgierig boog Isa zich voorover. Op verschillende plekken was de zandwal doorgebroken en het water stroomde, sneller dan de kist zakte, naar beneden. Isa kreeg een schepje in haar hand geduwd, maar dat weigerde zij beslist. Zoiets doe je niet.
Met gezwinde spoed werd Isa meegenomen naar de aula. Daar stonden alle natte ruggen bij elkaar. Koffie, broodjes en praatjes deden de ronde. Isa kon het nauwelijks geloven: zomaar opa achterlaten in de regen.
“Voor jou blijf ik altijd in leven,” had hij gezegd toen zij even huilen moest. Maar Isa miste opa nu al vreselijk. Langs druipende rokken en plakkende broekspijpen worstelde zij zich naar de buitendeur. Er stonden zelfs geen rokers buiten. Isa stond alleen en kon nog net door het regengordijn het graf van opa zien.
Zij keek naar hem uit en daar kwam opa al in zicht. Langzaam tilde het wassende water de kist naar boven. Eerst de bloemen en daarna, centimeter voor centimeter, de grenen houten kist. De overstroming was compleet. De kist kwam los, draaide een kwart slag in de goede richting en voer met lichte averij het pad weer op naar de uitgang. Isa klapte van opwinding en bewondering in haar handen. Zij kon het nauwelijks nog zien, maar de deksel van de kist bewoog en uit een kier kwam opa’s hand. Hij zwaaide naar Isa en deed toen snel de klep weer dicht. Opa was een slechte stuurman, maar hij kende wel de weg. Hier en daar botste hij tegen een marmeren steen, maar zonder aarzeling voer hij naar het leven terug. Hij had zijn woord gehouden. Isa zwaaide terug en toen opa uit het zicht verdwenen was, ging zij blij de zaal weer in. Isa had zich vast voorgenomen het aan niemand te vertellen.