Spullen

Ongelooflijk hoeveel rotzooi je in 20 jaar naar je hol sleept. Het is de hoogste tijd om de vrouw en mijzelf bij de haren te vatten en naar de volgende woning te slepen. Eindspullenelijk zal er dan opgeruimd worden. Kelder, zolder, kasten en laadjes, bergruimten, achter en voor de knieschotten, kisten en dozen, overal blijken wij zogenaamde ‘spullen’ te hebben. Handige spullen, maar ook -en veel- vergeten spullen. Spullen die nog weleens van pas kunnen komen en spullen die absoluut niet weg mogen.
Als teken van welwillendheid jegens elkaar spreken wij net zo over opruimen als over fitness en minder suiker gebruiken. Of over minder vlees en vroeger naar bed met minder alcohol. Mooie praatjes, maar er komt niets van terecht. Het heeft onze aandacht, maar aangepakt wordt het niet. Al heel lang kan het zo niet langer.
Maar bij een verhuizing is opruimen onvermijdelijk. Het moet gewoon van ons:
‘We kunnen toch al die rotzooi niet steeds met ons mee slepen?’
‘Ho eventjes, jouw rotzooi, hè. Ik heb geen rotzooi.’
‘Goed mijn rotzooi en jouw spullen, maar weg moeten ze.’
Even onvermijdelijk als de opruiming zelf is de ruzie eromheen. De aanklager en advocaat in mijn hoofd vecht met evenveel recht als het juridisch duo in het hoofd van mijn vrouw. Zij argumenteren tegen en doorelkaar en de gevoeligheden worden niet gespaard.
‘Dat kastje is nog van mijn vader geweest.’
‘Alsof je altijd blij bent met wat je van je vader hebt gekregen.’
Zorgvuldig wordt van elke genomineerde kavel nut en waarde in verleden en toekomst bepaald. Argumenten om weg te gooien of te houden worden even makkelijk bedacht als ter zijde geschoven. Het is allemaal niet zo sterk wat we zeggen, maar stijfkoppen zijn we wel.
Uiteindelijk moet een rechter vonnis wijzen, maar die zetelt ook al in onszelf. Zijn of haar aanwezigheid en uitspraken worden regelmatig gewraakt of belachelijk gemaakt.
‘Zullen we die zogenaamde literaire thrillers, dan allemaal wegdoen?’
‘Zeker, samen met alle kookboeken. Dat ruimt lekker op.’
‘Als we alles weg doen waar jij geen verstand van hebt, word jij nooit wat wijzer.’
Het is een mooie vertoning zo’n opruiming. Het is een grimmig gevecht om de vrije ruimte. Het is geen wonder dat wij door de spullen achter deuren en deksels op te slaan, de opruiming hebben willen vermijden.
De makkelijkste spullen zijn die van onze dochter. Zij zijn achter gelaten in de verwachting bij ons een eeuwig leven te hebben. Maar nu worden zij zonder pardon uitgewezen. Niet om wat zij zijn, maar om van wie zij zijn. Af en toe wordt betwist of het spul van haar is of toch van ons. De rechter doet altijd uitspraak in het voordeel van de jeugd.
Nee, dan alle troep die van ons is. Wat heet van ons: we hebben het samen aangeschaft of ooit is het een inbreng in de prille boedel geweest. Maakt allemaal uit. Het is niet uit hebberigheid dat wij zeggenschap opeisen. Het is de emotionele binding die aan zoveel spullen kleeft en elk rationeel motief overrulet.
‘Ja, dat gaat echt niet weg.’
‘Maar je hebt er al meer dan een jaar niet naar omgekeken.’
‘Nou en?’
‘Als ik het niet gezegd had, dan had je het niet eens gemist.’
‘Waag het niet om het weg te gooien.’
Zo gaat het maar door: waar ik van roep ‘weg ermee’, noemt mijn vrouw onmisbaar; en waar zij van zegt ‘kringloop’, hang ik het label ‘marktplaats’ om. Mijn bindingsvermogen lijkt nergens op, terwijl mijn vrouw nog niet kan scheiden van een Spaanse zwervershond.
De rechtszaak begint zijn tol te heffen. Vermoeidheid bezoekt de verdediging en de rechter neemt het steeds minder nauw. Er is genoeg aan mijn nieren geproefd en het moment zit er aan te komen dat ik het allemaal wel best vind. Nog even vlammen de verwijten op:
‘Jij denkt zeker dat we drie verhuiswagens ingehuurd hebben. Het is er maar één en de rest mag je zelf met de kruiwagen doen.’
‘Waarom mag ik dat zelf niet beslissen? Waarom heb je er überhaupt een mening over.’
‘Soms praat je alsof je mij ook zo makkelijk weg zou doen.’
‘Weet je, je zoekt het maar lekker uit. Ik bemoei mij er niet meer mee. Ik heb hier helemaal geen zin in. Lekker opruimen.’

vollebakWe hebben nu even pauze, want ik ben weggelopen.
Buiten staan vier vuilniszakken, een tafel met drie poten, drie afgeladen bananendozen en een overvolle aangestampte kliko bak.

Boterham met zorg

De fiets van Brent stond buiten aan de ketting na te druppen van een hele nacht miezerregen. Hij legde zijn rugtas op de bagagedrager, klapte de snelbinder erop en haakte de plastic tas achter de fietsbel aan het stuur. Met de mouw van zijn jas droogde hij het zadel, waarvan het stiksel vervelend vochtig bleef. Brent maakte de ketting los, bracht de fiets naar de weg, zette zijn rechter voet op de trapper en stepte met zijn linker voet achterlangs, totdat hij snelheid had. Toen zwaaide hij met kracht en allure zijn linker been over de bagagedrager, zweefde een paar centimeter in de lucht en plofte op het zadel. Had hij gezien van zijn vader.
Brent vroeg zich af of hij niet te veel op zijn vader leek: de vluchtige zoen waarmee hij zwijgend het huis verliet; zijn brood aan het stuur; op weg naar zijn werk, thuis de boel, de boel latend. Misschien had hij zijn moeder duidelijker moeten laten merken dat hij aan haar kant stond? Misschien had hij haar even stevig moeten vastpakken voor hij wegging? Niet zo achteloos en zwijgzaam.
Brent wilde op zijn vader lijken en bij zijn moeder zijn. Maar zij hadden ruzie, zoals zo vaak.
Met zijn knie stootte hij tegen de tas aan het stuur. Hij draaide zijn knie nog verder naar buiten. Zijn vader zou nooit zo rijden: “Rotzooi aan het stuur is altijd gevaarlijk.”
Maar hij had makkelijk praten. Hij had een mooie grote fietstas en hoefde nooit boodschappen te doen en al helemaal geen brood nabrengen. “Niets dan handen aan het stuur en goed uitkijken,” zo hoorde het, maar niet voor iedereen.
Licht over zijn stuur gebogen fietste Brent verder. De geur van stad en regen hing nog in de straten. De wielrenner in Brent nam risico’s in de vochtige bochten, reed door rood en fiets2ging op de pedalen staan. De tas aan zijn stuur was stom. Het leek nog niet op een wielrenner.
Brent zette zijn fiets tegen het hekwerk van het gebouw waar zijn vader werkte. Een grote grijze muur met allemaal dezelfde vierkante ramen. Waarom zou hij daar willen werken? Voor alle zekerheid zette hij zijn fiets op slot. Je weet nooit met dat soort gebouwen. Zijn rugzak liet hij onder de snelbinder zitten, daar zaten schoolboeken in, niets van waarde. Met het plastic tasje in zijn hand liep hij de paar treden van de betonnen trap op.
In de hoek van de grote hal zat de portier achter een glazen wand met een rond venstertje om in te praten. De man las zijn krant en hield ondertussen de aan en uit knipperende lichtjes op zijn balie in de gaten. Soms drukte hij op een toets omdat dat moest. Zo’n baan leek Brent wel wat. Hij wachtte geduldig op aandacht.
‘Zeg het eens kerel’ zei de portier terwijl hij één zijde van zijn krant naar binnen sloeg zodat hij precies langs de halve krant Brent aan kon spreken.
‘Mijn vader heeft zijn brood vergeten, meneer’
De krant werd in elkaar gefrommeld en in één beweging bracht de portier zijn leesbril van zijn neus weg, naar het borstzakje van zijn uniformcolbert.
‘En wie is je vader dan wel?’
‘Meneer Belser, mijnheer,’ zei Brent zeer beleefd, want zo niet, dan zou zijn vader dat zeker van de portier te horen krijgen; zo zag de man er wel uit.
‘En wat moet jij van meneer Belser?’
‘Ik heb zijn boterhammen mee genomen mijnheer,’ en ter bevestiging hield hij de plastic zak omhoog.
‘Ha, nu zie ik het. Je bent er inderdaad een van Belser. Het is je grote mond die je verraad. Wacht maar, dan zal ik die vader van jou eens bellen.’
De schrik sloeg Brent om het hart. Wat een toon, zeg. Zou hij de portier moeten vragen het wat rustiger aan te doen? Hij wist zeker niet dat zijn vader kwaad was en dan hoefde je niet met grappen aan te komen. Direct komt hij naar beneden en wat moet ik dan zeggen?
Vergenoegd en glimmend van humoristische voornemens hield de portier de hoorn aan zijn oor. Het duurde even.
‘Ja hallo met Leusdijk, is Belser al boven? ……Geef hem eens even.’
Met zijn hand de hoorn afdekkend vroeg hij aan Brent of hij hem zelf nog wilde spreken. Verrast door die mogelijkheid schudde Brent zijn rood aangelopen hoofd en zei: ‘ Dat is niet…’
‘Mogge Belser, heb je de slaap uit kerel?……………………zeker weten?…………….niets vergeten?………Nee, ha,ha, dat bedoel ik niet……neen, jij hebt moeders zorg thuis laten liggen, gesmeerd en al,………ja, je zoon staat hier beneden met je boterhammen……….oh, ik dacht even dat je misschien een afspraakje had om uit eten te gaan tussen de middag………..nou je hoeft niet zo aangebrand te doen, dat jong is speciaal voor jou nog langs komen fietsen………natuurlijk, dat gaan we doen en goed je best doen vandaag hè.’
Leusdijk legde de hoorn neer, drukte op een knopje en keek Brent – die het er warm van had gekregen- triomfantelijk aan.
‘Die vader van jou heeft zijn beste been zeker nog in bed liggen, hè?’
‘Ja, mijnheer,’ hield Brent zijn beleefdheid vol. Hij was ontsteld, zo sprak je niet tegen zijn vader. En ook niet over hem. Was de portier dapper of stom?
‘Geef maar hier die broodjes’ en Leusdijk stak zijn hand door het spreekgat, bedacht zich, trok zijn hand terug, stond moeizaam op en waggelde zijn loge uit.
‘Zo, dat gaat wat makkelijker,’ mompelde hij tevreden over zijn initiatief.
Brent overhandigde hem de plastic zak met boterhammen. Boterhammen gesmeerd met zorg en angst. Hij vond het niet erg om ze af te geven.
‘Die komt hij vast wel halen en tot kijk maar weer, kerel, bedankt namens je vader.’
De portier stapte zijn hok weer in en plofte in zijn draaistoel. Hij pakte zijn krant en sloeg de kreukels eruit, pakte zijn bril en las verder. Zonder op te kijken stak hij nog even zijn hand op.
Opgelucht zei Brent: ‘dag mijnheer,’ liep de hal uit naar zijn fiets, naar school. Het hachelijke karweitje was gedaan, hij kon weer verder.

Onrust in de Transvaalbuurt

Het was de winter van 1966 in de Transvaalbuurt in Amsterdam. Meer nog dan 1966 was het 27 december. Geheel in de geest van Piet Retief, Paul Krüger, Sarel Cilliers en andere boerenstrijders die zich lieten kennen door straatnamen, trok het jonge Transvaalvolk ten strijde tegen de pummels van de Oosterparkbuurt. Een robuuste spoordijk tussen Muiderpoort en Amstelstation scheidde de twee buurten en buren. Niet dat daardoor vrede heerste, maar doorgaans nam men niet de moeite het spoor over te steken om de vijand te bestrijden. Te veel gedoe, helemaal omlopen onder het viaduct van de Linnaeusstraat; dat was te ver van huis.
Als na de kerstdagen de eerste bewoners tabak hadden van de naaldenrotzooi en de bomen de straat op werden gegooid, begon de vijfdaagse kerstbomenoorlog. Gewapend met lange stokken, zwepen, riemen en ander wapentuig zwierf het dappere schorriemorrie over straat en door de buurt. Soms zat de oorlogsbuit nog vol met engelenhaar en vergeten ballen. De gevallen dennennaalden bleven als een groen tapijtje achter op het slagveld. In de strijd om de hoogste stapel kerstdennen kwamen de jongens natuurlijk altijd bomen te kort of had de Oosterparkbuurt onrechtvaardig veel meer bomen. Toen lag de lat voor een Nieuwjaars vuur al op 4 meter. Zoveel bomen konden onmogelijk alleen maar uit de eigen buurt gerekruteerd worden. Het gevecht om de bomen was een welkome onderbreking van de saaie kerstvakantie, maar ook een pure noodzaak. Van de straten, uit de tuintjes en plantsoenen, van de balkons en uit de struiken, overal werden de bomen weg geroofd. De beukenweg was hard en wreed. De Vrolikstraat was lang en had een hoge boomopbrengst. De bloedende wonden beloofden stoere littekens en de gloeiende striemen heldhaftige verhalen. Het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis lag in de Oosterparkbuurt, dus daar ging je die dagen niet naar toe. En wie wilde geen zakdoek met bloed om zijn hoofd?
Op de kruising werd de vuurplaats ingericht met een degelijk fundament van bij de melkfabriek Sterovita gejatte houten pallets. Dat jaar, je kon het aan alles merken, zou de stapel hoger dan ooit worden.
De gevechten waren heftig geweest en de jongens van Jan de Wit kwamen met heel veel bomen uit de wingebieden terug. Op 25 meter afstand van de vuurplaats had een kleine ondernemer zijn timmerfabriekje staan. Met angst en beven sloeg hij de gestaag groeiende berg bomen gade. In ‘65 had hij de deuren van zijn werkplaats nat gehouden en had zodoende slechts lichte onthechting van de verf ondervonden. Dit jaar zou hij zo niet wegkomen, dacht hij en besloot tot onderhandelen. Hij beloofde de gasten een jerrycan benzine als zij de vuurplaats zouden verplaatsen naar het pleintje op de Hertzogstraat.
Dat was een goede deal, dus de bomen werden naar het pleintje gesleept. Ter bescherming van de straatstenen, het pleintje moest namelijk na oud en nieuw weer als speelpleintje kunnen dienen, werden de pallets ook verplaatst. Zo was de redenering.
brandjeHeel oudejaarsdag werd aan de opbouw van het vuur gewerkt. Uiteindelijk was de stapel bijna 7 meter hoog. Zeven meter gort droge kerstbomen op een pleintje van twintig meter breed. Daaroverheen zes autobanden om het zaakje bij elkaar te houden. Om tien voor twaalf werd nog eens 20 liter benzine boven de stapel uitgeschud en toen de klok van de Bonifatiuskerk twaalf sloeg ging de hens erin.
Het vuurtje van de Vrolikstraat stelde niets meer voor. Vlammen kwamen tot boven de huizen, de klinkers werden uit het pleintje gebrand, de timmerman was samen met tientallen buurtgenoten komen kijken en veel later ook de politie en de brandweer. Er was bewondering en afkeuring. Het was er hard aan toe gegaan, maar mensenkinderen wat was het de moeite waard geweest.

Wegdromen

Margreet is eerder opgestaan. Misschien om zelf het maximale uit de dag te halen, maar het kan ook zijn, dat zij Felix een paar uur extra in hun bed gunt. Het is tenslotte zaterdag. Met een kopje thee en de krant op het nachtkastje en een gulle ‘blijf nog maar lekker even liggen’ heeft zij Felix achtergelaten in hun beider matraskuiltje.

 

Als Felix de images-1kans krijgt, blijft hij zo lang als mogelijk hangen in het ijle land van half-zijn. Daar waar werkelijkheid en droom zich met elkaar verbinden. Daar leeft Felix in vreemde beelden en belevingen, die hij moeiteloos aanvaardt als de realiteit. Slechts als hij even moet verliggen of een ver geluid moet horen, komt hij vluchtig bij. Het denken ligt al op de loer. Het niet weten er te zijn, wiekt weg naar warme oorden. Felix wil het tegenhouden. Hij wil niet denken. Uitslapen vindt hij niet genoeg. Hij wil terug naar waar hij was gebleven. Met een beetje geluk valt hij terug in het leven dat hem overkomt. Het ongedeelde leven, dat pas droom wordt bij het wakker worden. Na een uur of wat, want dan moet Felix plassen. Onverbiddelijk moet hij zich weer verzoenen met het dagelijkse. Hij strekt zich daarvoor uit en gooit het dekbed van zich af. Bevrijd van wat hij droomde: een benauwde wereld waarin hij haast verdronk. Zijn lichaam herinnert zich nog het zuurstofgebrek en de wanhopige zwempogingen. Een restje angst is blijven hangen in het beddengoed. Felix vraagt zich af waar al die gedroomde werkelijkheid toch vandaan komt? En vooral, hoe het zo waar kan lijken?

Nog niet zo lang geleden werd Felix door zijn krant geïnformeerd over de grote hoeveelheid Polen die plotseling aan het verdrinken was. Te weinig zwemkunst, te veel drankgebruik, onbekendheid met de stroming en een fatale onbezorgdheid.

De krant had het hele proces om van ontspannen zwemmer tot een drenkeling te geraken in beeld gebracht:

De ontspannen zwemmer begint met een angstgevoel dat zich ontwikkelt tot paniek. Van ‘ik kan niet zwemmen’ tot ‘help, ik verzuip’. In die staat ga je gek met armen en benen om je heen slaan, maar dat helpt niets en kost veel energie. Doodmoe word je daarvan. Je lichaam maakt CO2 aan, maar wil zuurstof hebben. Als een idioot ga je ademhalen, maar je krijgt water in je keelgat. Daar ga je natuurlijk behoorlijk van hoesten, je paniek wordt groter. Je hapt nog steeds naar water terwijl je meer zuurstof nodig hebt. De lage luchtwegen sluiten de longen af en dan stroomt het water natuurlijk naar de maag , het moet ergens naar toe. Uitgeput door het gevecht raakt het verkrampte lichaam bewusteloos en de (keel)spieren ontspannen. De longen stromen vol en het slachtoffer stikt.

De krant illustreerde dit proces met heldere tekeningen in mooi blauw water.

Oud en wijs genoeg?

wijsheid

Wat is wijsheid?

Ik ben op leeftijd aan het geraken. Dat gaat gepaard met allerlei kwaaltjes, pijntjes en ongemakken. ‘Wat je hebt, mag je houden’ grappen wij ‘oudjes’ tegen elkaar als het op één van de verjaardagen weer eens over de gezondheid gaat.

Ik verdedig mij tegen dit voortkabbelende verval met de gedachte (en die spreek ik ook uit) dat mijn wijsheid al maar groter is geworden. Wat een vracht aan ervaring. Wat een enorme hoeveelheid aan al dan niet dure levenslessen. Al die hoogstaande discussies, al die gesprekken die ik met anderen en mijzelf heb gevoerd. Al die jaren van nadenken (dat is natuurlijk een grote optelsom, hè). De honderden boeken die ik gelezen heb. De ontelbare conferenties, workshops en studiedagen die ik bezocht. Ik heb er zeker zo’n 40.000 uren aan actualiteitenrubrieken en journaals op zitten. Ik ben tientallen keren op mijn bek gegaan en ben evenzoveel keren vrolijk weer opgekrabbeld. Ik heb liefdes gevonden en verloren en zo verging het mij ook met vrienden, familie en kapitaal. Moet ik nog doorgaan? Is het niet allang duidelijk dat hier een man aan het woord is, die door het leven, in de armen van de wijsheid is gedreven? Niet omdat ik zo graag een wijs man wilde worden, maar omdat ik niet anders kon.

Ja, zo dacht ik er over tót Prof. Swaab aan mij verscheen en mij een ontstellend ontnuchterende mededeling deed: ‘Kerel, je bent helemaal de ouwe, je bent niets veranderd’.

Ik schijn qua karakterstructuur nog steeds dezelfde onvoldragen vrucht te zijn als die van een dikke 61 jaar geleden in mijn baar-moeder. Al die opinies en oordelen later over mijn karaktertje, het zijn eigenlijk oordelen over mijn brein. Ik en mijn brein vallen samen. De rest van mijn lichaam heeft slechts tot taak mijn brein in leven te houden en het volgende brein te creëren.

In al die jaren heb ik niets anders gedaan dan mijn gedrag een beetje aanpassen. De foute kantjes van mijn persoonlijkheid een beetje camoufleren, waar overigens nog steeds klachten over binnen komen.

Is daar nu al dat gedoe dat wij ‘het leven’ noemen voor nodig? Had dat niet wat efficiënter in elkaar gezet kunnen worden?

De troost van de wijsheid is hiermee wel helemaal vervallen. De reden van mijn bestaan, wat mij ooit een interessante vraag scheen, is nu wel gruwelijk duidelijk: Het heeft geen reden, er is slechts bestaan. Geen mooie ontwikkelingen in mijn persoonlijkheid. Geen diep gevoelde wijsheid die gerijpt is in de gistende vaten van het leven. Je wordt bedankt Swaab!

Een paar weken geleden kreeg ik van een goede vriend het boek ‘De vrije wil bestaat niet’ van de neurowetenschapper Victor Lamme. U begrijpt wel waar het naar toe gaat in dat boek. Wij kunnen er niets aan doen en dat blijkt uit talloze wetenschappelijke experimenten. De mens neemt maar zelden een bewuste beslissing. Veel meer zijn het bepaalde hersendelen en de wijze waarop die geprogrammeerd zijn, die bepalen wat er uiteindelijk gebeurt. Dat de goede man ‘Lamme’ heet verbaast mij niets.

Alles bij elkaar raad ik u het lezen van dit soort wetenschappelijk werk ten zeerste aan. De strekking van de theorieën is zinloosheid opwekkend en het mobiliseert een enorm verzet. U wilt er vast ook niet aan en gaat, net als ik, op zoek naar tegenargumenten. U ontwikkelt energie en creativiteit. U bedenkt slimmigheidjes om het gestelde tegen te spreken en het gezegde te ontkrachten. Geweldig waar je allemaal op uit kunt komen.

Voor dat je het weet ben je een illusie rijker.

De nalatenschap

Nalatenschap

bakmetgeld

Hij was geen slechte kerel, terwijl hij wel rijk was. Pa had een behoorlijk kapitaal en eeltige handen vergaard in de varkenshandel. Op de een of andere manier was het eelt ook op zijn ziel terecht gekomen. Misschien door de dood van zijn vrouw. Als het verdriet te veel schuurt, verhardt het wezen.

Gierig was pa niet, maar hij gaf weinig zo maar weg. In het algemeen vond hij dat de mens het zelf maar uit moest zoeken. “Een mens moet nergens op rekenen,” zei hij vaak bij tegenslag.

Op mijn 26ste trouwde ik met Maartje, die zwanger van mij was. Wij hadden een kind, een rijke vader en verder niets. Pa groeide in zijn rol van grootvader. Hij was er speciaal voor gestopt met roken. Vet en suiker in plaats van nicotine en teer. De dood besprong zijn hart. Ik erfde 2,5 miljoen euro. In één keer. Na een gepaste periode van rouw, kwamen de tonnen als regen uit de hemel.

Het leven dat ik daarna leidde was zonder maat en mededogen. Ik loog en bedroog. Mijn vrouw verliet mij. Niet eens voor een ander. Mijn zoon volgde haar goede voorbeeld. Met mijn vrienden deelde ik mijn gebreken en de shit waarin we terecht kwamen. De hebberds en de geilaards schudden graag mijn handen. Ik schonk het meeste met de fles in de hand. In geen van allen zat een briefje met een vriendelijke groet of een verzoek of een geheim of schat.

Ook al was het mijn leven, het was leeg, leeg, onherkenbaar leeg.

Maar ook wat leeg is kan verloren gaan.

Ik zit op een ongemakkelijke krukje aan mijn formica keukentafel. Voor mij papier en een glas water. Er vallen wat woorden voor mijn pa:

Als u nog eens wat weet. Negenennegentig goede doelen en uitgerekend mij moest u treffen met uw rijkdom?Had het de natuur niet kunnen zijn? Of, ook heel verantwoord, de cultuur? Hadden de zieken of de dieren uw geld niet moeten erven? Had u de ontwikkeling niet moeten steunen of de honger en de armoe moeten bestrijden? Waarom niet alles ingezet op vrede?

Kende u uw zoon dan niet? Kon u niet zien, dat ik het goede doel niet ben.

Go with the flow

De uitvaart
Vol vertrouwen liep Isa aan de hand van haar moeder achter de kist van haar opa aan. Het zou wel goed komen volgens Isa. De regen viel met kracht en de stoere wind blies de droeve stoet onder de parapluis. Een ondeugend straaltje water biggelde haar mouw in en rustte even in haar oksel. Het kietelde, maar niet om te lachen.
De begraafplaats lag er verzopen bij. Geen lantaarntje was nog aan. Geen bloemetje stond meer overeind. Alle kelken liepen over. Geen vogel liet zich horen. Het grindpad sopte en alles huilde pijpenstelen.
Isa was een stuk minder treurig. Als een eiland van optimisme, liep zij tussen de ontroostbare realiteit, want zij had een afspraak met opa.
“Vertrouw mij maar,” had hij met een blik van verstandhouding tegen haar gezegd. En omdat zij zielsveel van opa hield, deed zij dat. Aan de onverbiddelijke hand van haar moeder liep Isa door de plassen, langs de graven. Voor “onze lieve, lieve Leontien, van 12 mei 2003 tot 6 januari 2005”, vond zij het wel heel zielig. De kletsnatte knuffelbeer van Leontien week voor geen centimeter van haar graf. Het liefst zou Isa zelf een kijkje nemen bij al die monumenten van verlies, maar dat liet haar moeder niet toe.
Na een paar keer oplopen en weer stilstaan, kwam de stoet op zijn bestemming. Opa’s kist werd op de planken boven de grafkuil gezet. Druipende mensen en verzadigde bloemen werden door een man, die zich onverstoorbaar volstrekt had laten nat regenen, om het graf geschikt. Isa mocht vooraan staan.
“Wat ze allemaal ook zeggen, geloof mij maar, schat, ik ga niet dood,” had opa haar beloofd.
Zijn zoon, haar vader sprak een laatste woord. De regen deed er nog een schepje bovenop. Moeder knikte vader toe dat het zó wel goed was. De planken werden weggetrokken, de touwen gevierd en opa zakte in het modderige water. Nieuwsgierig boog Isa zich voorover. Op verschillende plekken was de zandwal doorgebroken en het water stroomde, sneller dan de kist zakte, naar beneden. Isa kreeg een schepje in haar hand geduwd, maar dat weigerde zij beslist. Zoiets doe je niet.
Met gezwinde spoed werd Isa meegenomen naar de aula. Daar stonden alle natte ruggen bij elkaar. Koffie, broodjes en praatjes deden de ronde. Isa kon het nauwelijks geloven: zomaar opa achterlaten in de regen.
“Voor jou blijf ik altijd in leven,” had hij gezegd toen zij even huilen moest. Maar Isa miste opa nu al vreselijk. Langs druipende rokken en plakkende broekspijpen worstelde zij zich naar de buitendeur. Er stonden zelfs geen rokers buiten. Isa stond alleen en kon nog net door het regengordijn het graf van opa zien.
Zij keek naar hem uit en daar kwam opa al in zicht. Langzaam tilde het wassende water de kist naar boven. Eerst de bloemen en daarna, centimeter voor centimeter, de grenen houten kist. De overstroming was compleet. De kist kwam los, draaide een kwart slag in de goede richting en voer met lichte averij het pad weer op naar de uitgang. Isa klapte van opwinding en bewondering in haar handen. Zij kon het nauwelijks nog zien, maar de deksel van de kist bewoog en uit een kier kwam opa’s hand. Hij zwaaide naar Isa en deed toen snel de klep weer dicht. Opa was een slechte stuurman, maar hij kende wel de weg. Hier en daar botste hij tegen een marmeren steen, maar zonder aarzeling voer hij naar het leven terug. Hij had zijn woord gehouden. Isa zwaaide terug en toen opa uit het zicht verdwenen was, ging zij blij de zaal weer in. Isa had zich vast voorgenomen het aan niemand te vertellen.